Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/299494/ HA ZA 15-335)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met één productie;
- de memorie van grieven in het incident en in de hoofdzaak met zes producties;
- de memorie van antwoord met één productie;
- de akte uitlaten van Fort Oranje;
- de antwoord-akte van de Ontvanger met één productie.
3.De beoordeling
Samenwerkingsconvenant betreffende de uitvoering van het [projectnaam] -project, gericht op de integrale aanpak van panden en de ‘malafide’ huiseigenaars’ondertekend. Binnen dit project zijn gegevens verwerkt van [indirect bestuurder en aandeelhouder van Fort Oranje] en aan hem gelieerde vennootschappen.
- de in rechtsoverweging 4.3. van het vonnis van 14 september 2016 gegeven oordelen, kort gezegd inhoudende dat de beide in het geding zijnde dwangbevelen voldoen aan de daaraan in de wet gestelde eisen;
- de door de rechtbank in overweging 4.6. van het vonnis van 14 september 2016 gegeven normstelling voor de inhoudelijke beoordeling van het verzet als bedoeld in artikel 17 Iw Pro;
- de vaststelling door de rechtbank in overweging 4.7. van het vonnis van 14 september 2016, inhoudende dat [beheer] Beheer B.V. geen aangiftes Vpb heeft gedaan en dat de Ontvanger de opgelegde ambtshalve aanslagen mocht baseren op schattingen;
- het in overweging 4.9. van het vonnis van 14 september 2016 door de rechtbank gegeven oordeel dat de omstandigheid dat [indirect bestuurder en aandeelhouder van Fort Oranje] in het verleden in de IB-sfeer belast is voor rentekosten in verband met een lening van [investment] Investment Ltd nog niet met zich brengt dat over de thans relevante jaren daadwerkelijk sprake is van deze schuld, terwijl niet uitgesloten kan worden dat de thincap-regeling toegepast dient te worden, en dat een meer inhoudelijke beoordeling het bestek van deze procedure te buiten gaat;
- tegen het in overweging 4.10 van het vonnis van 14 september 2016 gegeven oordeel dat de omstandigheid dat [indirect bestuurder en aandeelhouder van Fort Oranje] aan een psychische stoornis lijdt in de risicosfeer van [indirect bestuurder en aandeelhouder van Fort Oranje] ligt en nog niet met zich brengt dat Fort Oranje anders dient te worden behandeld dan andere belastingplichtigen.
ten nadelevan [beheer] Beheer BV.
klaarblijkelijkberusten op een feitelijke of juridische misslag.
klaarblijkelijkop een misslag berusten. Dat heeft zij nagelaten te doen. Fort Oranje heeft in de kern slechts gesteld dat het niet kan kloppen dat de Inspecteur uit is gegaan van hoge winsten, terwijl er volgens haar tegelijk sprake was van een fors dalend eigen vermogen. Daarbij is echter van belang, zoals de Ontvanger in nr. 2.7. van haar conclusie van dupliek, onder verwijzing naar haar verweerschrift in de procedure bij de belastingrechter, heeft aangevoerd, dat [beheer] Beheer BV en [indirect bestuurder en aandeelhouder van Fort Oranje] zelf vanaf 2007 geen aangiften Vpb respectievelijk inkomstenbelasting hebben gedaan, zodat niet kan worden vastgesteld of vanaf 2007 dividend is uitgekeerd, terwijl niet in debat is dat uitkering van dividend van negatieve invloed kan zijn op het eigen vermogen. Door eigen toedoen van Fort Oranje/de tot de fiscale eenheid (waarvan Fort Oranje deel uitmaakte) behorende ondernemingen kan er daarom geen (goede) aansluiting gemaakt worden tussen het eigen vermogen in de door Fort Oranje overgelegde consolidatieoverzichten en het eigen vermogen in de voorgaande jaren.
“(…) De ontvangen administratie blijkt op meerdere punten gebrekkig en incompleet te zijn. De administratie blijkt geen gegevens met betrekking tot pachtovereenkomsten te bevatten en geen gegevens over diverse (hypothecaire) leningen. De curator zal de bestuurder (nogmaals) in de gelegenheid stellen deze en andere gegevens aan te leveren (…)”.