ECLI:NL:GHSHE:2019:1905

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 mei 2019
Publicatiedatum
23 mei 2019
Zaaknummer
200.257.549_01 en 200.257.549_02
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265h BWArt. 810 RvArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vervangende toestemming medische behandeling minderjarigen wegens ernstig gevaar gezondheid

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Limburg die de gecertificeerde instelling toestemming gaf voor medische behandeling van twee minderjarigen bij een gespecialiseerde instelling. De vader betwist de noodzaak van deze behandeling en stelt dat hoogbegaafdheid van de kinderen beter onderzocht moet worden. Hij wil betrokken worden bij de keuze van behandelaar en stelt dat de kinderen geen last hebben van de scheiding.

De gecertificeerde instelling en de moeder voeren aan dat de kinderen wel degelijk sociaal-emotionele problemen ondervinden door de gespannen situatie tussen de ouders. Diverse instanties, waaronder de raad en scholen, onderschrijven dit. De vader blokkeert volgens hen noodzakelijke hulpverlening door zijn fundamenteel andere visie.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:265h lid 1 BW vervangende toestemming kan worden verleend als de ouder toestemming weigert en er ernstig gevaar is voor de gezondheid van het kind. Het hof bevestigt eerdere bevindingen dat de kinderen opgroeien in een belastende situatie met ernstige ontwikkelingsbedreiging. De vader toont geen voortschrijdend inzicht en zijn tegenwerking belemmert noodzakelijke hulp. Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het beroep van de vader af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vervangende toestemming voor medische behandeling van de minderjarigen en wijst het beroep van de vader af.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 23 mei 2019
Zaaknummers : 200.257.549/01 en 200.257.549/02
Zaaknummers eerste aanleg : C/03/257352 / JE RK 18-2548 en
C/03/257357 / JE RK 18-2549
in de zaak in hoger beroep van:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. B.M.A. Jegers,
tegen
de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens kantoorhoudend te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)
.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.L.J.M. Wilhelmus.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 15 januari 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 april 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en verzocht om verzoekster alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in eerste aanleg dan wel deze af te wijzen.
2.2.
Bij genoemd beroepschrift heeft de vader tevens verzocht om schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking.
2.3.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 april 2019, (het verweerschrift met producties is ingekomen op 1 mei 2019 en ter zitting zijn daarvan, met toestemming van alle partijen, door de griffier afschriften aan de advocaten van de vader en de moeder verstrekt) heeft de GI verzocht het schorsingsverzoek af te wijzen alsmede het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.4.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 26 april 2019, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vader af te wijzen.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. L.H.G. Pelzer, kantoorgenoot van en waarnemend voor mr. Jegers;
-de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
-de moeder, bijgestaan door mr. Wilhelmus.
2.6.
Het hof heeft verder nog kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier van de zijde van de vader d.d. 11 april 2019 met nadere stukken, ingekomen ter griffie op 11 april 2019;
- het V6-formulier van de zijde van de vader d.d. 19 april 2019 met aanvullende stukken, ingekomen ter griffie op 24 april 2019;
- het V6-formulier van de zijde van de vader d.d. 30 april 2019 met het proces-verbaal van het behandelde ter zitting in eerste aanleg op 27 december 2018, ingekomen ter griffie op 1 mei 2019.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de vader en de moeder zijn geboren:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
3.2.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de GI toestemming verleend, ter vervanging van de toestemming van de vader, voor de medische behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij en door [instelling 1] , in de vorm van ambulante Dagbehandeling Extra en een psychologisch onderzoek.
3.4.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep
gekomen.
3.5.
De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.
De vader betwist dat hij afwijzend staat tegenover medische behandeling van de kinderen maar hij wil betrokken worden in de beslissing daaromtrent en de keuze van de behandelaar. De noodzaak voor de door de GI gewenste behandeling staat niet vast. Als er al sprake zou moeten zijn van medische onderzoeken dan dienen deze onderzoeken te zien op hoogbegaafdheid. De vader heeft steeds aangegeven dat er sprake zou kunnen zijn van hoogbegaafdheid van de kinderen, maar de GI
gaat daar volledig aan voorbij. De vader heeft de kinderen zelf laten onderzoeken op
hoogbegaafdheid en legt verslagen van die capaciteiten-onderzoeken over. Volgens die onderzoeken is er sprake van hoogbegaafdheid bij beide kinderen. Het gaat goed met de kinderen en de vader wil de ontstane rust en stabiliteit niet verstoren. De vader frustreert niet de bezoeken van de GI in zijn thuissituatie en is niet weigerachtig maar wil dat de GI een en ander inplant in samenspraak met de vader. Dat gebeurt niet. De kinderen hebben geen last van de scheiding; ze zijn zeer resistent. Er is geen strijd tussen de ouders, want de ouders hebben geen contact met elkaar. Eventuele zorgen over de gezinssituatie kunnen alleen op de moeder betrekking hebben. De vader deelt de zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen die de moeder en de GI hebben niet en ziet daarvoor ook geen onderbouwing. De informatie waarop de GI zich baseert, zoals het rapport van [instelling 2] , is verouderd en daaruit kan evenals uit de verklaring van de huisarts geen noodzaak voor behandeling afgeleid worden . De vader merkt daarbij op dat hij aanvankelijk de hulpverlening door [instelling 2] vrijwillig geïnitieerd heeft om te komen tot betere communicatie en daarmee samenhangend co-ouderschap.
De vader vraagt verder de werking van de bestreden beschikking te schorsen omdat 18 april 2019 de laatste observatie-dag is, en daarna de officiële medische behandeling begint. Medische onderzoeken dienen te zien op hoogbegaafdheid van de kinderen en daarin is [instelling 1] niet gespecialiseerd. Het forceren van de behandeling zoals de GI voorstaat, is in strijd met de zwaarwegende belangen van de kinderen.
3.6.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat – het volgende aan.
De kinderrechter heeft geen reden gezien om andere psychologische hulp in te schakelen dan vanuit [instelling 1] . Conform de daarvoor bestaande richtlijnen is gekeken naar welk onderzoek het beste zou zijn. Alle bevindingen van de GI, die zijn gebaseerd op de samenwerking met [instelling 2] , zijn steeds met de ouders gecommuniceerd. De vader is ook uitgenodigd voor het matchingsgesprek bij [instelling 1] en hem is de gelegenheid geboden om met een alternatief te komen. Daar heeft hij echter geen gebruik van gemaakt. Met betrekking tot de hoogbegaafdheid: deze is door de GI nooit uitgesloten en kan ook in het onderzoek van [instelling 1] worden meegenomen, maar het feit dat de kinderen mogelijk hoogbegaafd zijn, wil niet zeggen dat ze geen last hebben van de scheiding en dat is waar de GI mee aan de slag wil. De problematische communicatie tussen de ouders belast de kinderen ernstig in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Dat is niet alleen de visie van de GI maar ook van de raad, de school van de kinderen, [instelling 2] , [instelling 3] , [instelling 4] en ook van [instelling 1] .
De GI heeft ernstige bedenkingen bij het capaciteitenonderzoek dat de vader heeft laten doen. Indien het hof de behandeling van de kinderen niet noodzakelijk zou achten, doet de GI een beroep op het ruimere toetsingskader van artikel 3 IVRK Pro.
3.7.
De moeder voert in haar verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat- het volgende aan.
De kinderen hebben wel degelijk last van de strijd tussen de ouders. De vader stelt weliswaar
dat hij niet afwijzend zou staan tegenover hulpverlening, maar hij wijst iedere vorm van hulpverlening aan /onderzoek van de kinderen, behalve een onderzoek naar hoogbegaafdheid, af. De kinderen hebben zelf ook aangegeven hulp te willen en graag met andere kinderen die in dezelfde situatie zitten als waarin zij nu zitten, in contact te komen. De moeder is niet gekend in het capaciteitenonderzoek van de kinderen dat door de vader is geïnitieerd. Het is vaders eigen keuze om niet actief betrokken te zijn bij het onderzoek en de behandeling door [instelling 1] . Ook de moeder doet een beroep op artikel 3 IVRK Pro en stelt in dat kader dat indien de behandeling bij [instelling 1] indien niet noodzakelijk dan toch zeker wenselijk is en in het belang van de kinderen moet worden geacht.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Op grond van artikel 1:265h lid 1 BW kan indien een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert, deze toestemming op verzoek van de gecertificeerde instelling worden vervangen door die van de kinderrechter.
3.8.2.
Het hof heeft in zijn beschikking van 8 november 2018 onder meer de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bekrachtigd. Desgevraagd heeft de vader verklaard daartegen geen cassatie te hebben ingesteld.
Het hof heeft in die beschikking onder meer het navolgende overwogen.
De kinderen groeien op in een belastende en onveilige situatie en zijn al sinds 2014 getuige van spanningen en escalaties tussen de ouders. Hulpverlening is noodzakelijk, gelet op de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. In het vrijwillig kader is gebleken dat er geen mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen, mede op grond waarvan het hof de verlenging van de ondertoezichtstelling heeft bekrachtigd.
Het hof heeft verder geconstateerd dat de vader niet open staat voor hulpverlening die afwijkt van zijn visie ten aanzien van de bestaande problematiek.
3.8.3.
De bestreden beschikking van de rechtbank is mede gebaseerd op de bevindingen en overwegingen van het hof in deze beschikking.
3.8.4.
Het hof ziet in hetgeen de vader heeft aangevoerd geen aanleiding om op deze eigen bevindingen en overwegingen terug te komen.
Uit het onderhavige beroepschrift van de vader en het behandelde ter zitting van het hof is, zo moet het hof helaas vaststellen, gebleken dat de vader geen voortschrijdend inzicht toont. Naar het oordeel van het hof is er nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Tussen de ouders is geen enkele constructieve samenwerking of communicatie en er is geen zicht op verbetering daarvan. De kinderen hebben last van de scheiding en van de situatie en daarin schuilt een gevaar van verdere schadelijke gevolgen voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling.
De vader stelt weliswaar dat zijn deur voor de GI openstaat en dat hij meewerkt echter daarvan is, zo blijkt uit hetgeen over en weer verklaard is alsmede uit de overgelegde stukken, geen sprake. De vader blokkeert de door de GI en de moeder noodzakelijk geachte hulpverlening aan de kinderen omdat hij een fundamenteel andere visie heeft op de problematiek van de kinderen. Als er al in zijn visie sprake is van problematiek bij de kinderen, dan plaatst hij deze problematiek in het licht van hun hoogbegaafdheid. Dat heeft er ook toe geleid dat de vader zonder de GI en de moeder daarvan op de hoogte te stellen een
onderzoek naar hoogbegaafdheid bij de kinderen heeft laten doen.
De vader stelt dat de kinderen geen last hebben van het verschil van inzicht tussen enerzijds de vader en anderzijds de GI als het gaat om wat de kinderen nodig hebben.
Ook het feit dat de vader de kinderen zowel naar de zitting van het hof op 1 mei 2019 als naar de zitting van de rechtbank over de verlenging van de ondertoezichtstelling op 30 april 2019 meegenomen heeft in de visie van de vader geen effect op de kinderen.
Het hof is van oordeel dat mede door deze opstelling van de vader, de kinderen klem en verloren raken tussen de ouders en beschadigd worden in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Om meer zicht te krijgen op de specifieke pedagogische behoeften van de kinderen is Dagbehandeling Extra van [instelling 1] geïndiceerd. Daarnaast dient er, tevens bij [instelling 1] , een diagnostisch onderzoek plaats te vinden, gericht op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling, gezinsbeleving en mogelijke ontwikkelingsproblemen. Door de tegenwerkende opstelling van de vader is het niet mogelijk om dit zicht te verkrijgen.
3.8.5.
Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat voldaan is aan de eisen van artikel
1:265h lid 1 BW en dat er sprake is van een noodzakelijke behandeling van de kinderen om ernstig gevaar voor hun gezondheid af te wenden. Nu de vader zijn toestemming daarvoor weigert, heeft de kinderrechter terecht vervangende toestemming verleend aan de GI.
3.8.6.
Het hof overweegt aanvullend nog het volgende. De moeder heeft onweersproken gesteld dat de kinderen graag naar [instelling 1] gaan en zich al merkbaar beter zijn gaan voelen tijdens de afgelopen observatieperiode. Daaruit alleen al blijkt dat het ingezette traject in het belang van de kinderen moet worden geacht. Daartegenover ziet het hof geen rechtens te respecteren belang van de vader om toestemming voor de behandeling te weigeren. De GI heeft bovendien aangegeven dat ook de eventuele hoogbegaafdheid van de kinderen in het onderzoek van [instelling 1] aandacht krijgt.
3.8.7.
Het voorgaande maakt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen en de verzoeken van de vader tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel vernietiging van de bestreden beschikking zal afwijzen.
3.8.8.
Nu het hof in deze zaak een eindbeschikking geeft, heeft de vader ook geen belang meer bij zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking, zodat het hof dat verzoek eveneens zal afwijzen.

4.De beslissing

Het hof:
in de zaak 200.257.549/01:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
in de zaak 200.257.549/02:
wijst het verzoek tot schorsing van de werking af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.L. Schaafsma-Beversluis en
H. van Winkel en is op 23 mei 2019 uitgesproken in het openbaar door mr. H. van Winkel, in tegenwoordigheid van de griffier.