De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds eind maart 2019 bij haar vader verblijft. De ondertoezichtstelling was reeds verlengd tot 14 september 2019, maar de rechtbank had het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing afgewezen. De GI ging hiertegen in hoger beroep.
Tijdens de behandeling gaf de GI aan dat het perspectief van de minderjarige bij het pleeggezin ligt vanwege zorgen over de draagkracht van de vader op de lange termijn. De vader, die de zorg voor de minderjarige en haar jongere broer op zich wil nemen, werkt positief mee met hulpverlening en wordt ondersteund door familie en instanties. Het hof constateerde dat het op dit moment goed gaat met de minderjarige bij de vader en dat de vader afspraken nakomt.
Het hof overwoog dat de GI onvoldoende concrete argumenten had aangevoerd om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te rechtvaardigen, mede gezien het feit dat de GI zelf meewerkt aan de gefaseerde thuisplaatsing van het jongere kind bij de vader. De angst van de GI voor toekomstige problemen was niet voldoende om het verzoek tot verlenging toe te wijzen.
Daarom bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank Limburg van 5 maart 2019 en wees het beroep van de GI af.