Belanghebbende werd een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (mrb) opgelegd over de periode van 13 april 2016 tot en met 23 januari 2017, met een gelijktijdige boetebeschikking. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Het hof oordeelde in hoger beroep dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto hem in Nederland pas vanaf 20 januari 2017 feitelijk ter beschikking stond, gebaseerd op koopovereenkomsten, WhatsApp-gesprekken en een Litouws kentekenregister.
De Inspecteur voerde aan dat de koopovereenkomsten achteraf waren opgemaakt en dat er inconsistenties waren in verklaringen, maar het hof achtte deze bezwaren onvoldoende om het bewijs van belanghebbende te weerleggen. Hierdoor werd de naheffingsaanslag verminderd tot het tijdvak van 20 januari 2017 tot en met 23 januari 2017.
De boete werd eveneens verminderd tot het minimum van € 50, omdat buitenlandse kentekens minder controleerbaar zijn en de situatie niet voldeed aan de criteria voor een hogere boete. Het hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht en een tegemoetkoming in de proceskosten van belanghebbende.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar werden vernietigd. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.