In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van twee tenlasteleggingen, maar veroordeeld voor schennis van de eerbaarheid in een andere zaak. Het hof verklaarde het hoger beroep tegen de vrijspraak niet-ontvankelijk omdat hoger beroep tegen vrijspraak voor verdachte niet openstaat.
Het hof bevestigde het vonnis voor zover het aan zijn oordeel was onderworpen en voegde een nadere strafmotivering toe. Ondanks een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, zag het hof geen aanleiding om de straf te matigen, mede omdat de opgelegde taakstraf relatief gering was en de zaak in hoger beroep met voortvarendheid was behandeld.
De verdediging voerde aan dat onvoldoende bewijs bestond voor de bewezenverklaring van schennis van de eerbaarheid en dat het tonen van het ontblote geslachtsdeel niet kwalificeerde als zodanig. Het hof verwierp deze verweren, oordeelde dat de aangifte betrouwbaar was en dat het bewezen handelen inderdaad schennis van de eerbaarheid inhoudt.
Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur, met een subsidiaire vervangende hechtenis van 15 dagen, en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en veroordeeld in de kosten van verdachte.