Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Het hof stelt voorts vast dat de schulden grotendeels – op ene paar kleine vorderingen na -buiten de zogenaamde vijfjaarsperiode zijn ontstaan en dat [appellant] de afgelopen jaren in loondienst heeft gewerkt en aldus heeft getracht zijn crediteuren zoveel mogelijk te voldoen. Het hof is mede op grond hiervan van oordeel dat thans voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.