De zaak betreft een geschil over het gebruik van een woning na de verkoop van aandelen in een onderneming. [Geïntimeerde 1] verkocht zijn aandelen en trad in dienst bij de koper, waarna hij in de woning bleef wonen. Diverse procedures volgden over de vraag of hij huur of gebruiksvergoeding verschuldigd was voor het gebruik van de woning.
De kantonrechter oordeelde dat geen huurovereenkomst bestond en stelde een gebruiksvergoeding vast van € 500 per maand, geïndexeerd, voor de periode 1 april 2006 tot 31 januari 2011. De vordering tot onverschuldigde betaling werd toegewezen, maar de vordering tot beslagkosten afgewezen.
In hoger beroep bevestigde het hof dat geen huurovereenkomst van kracht was na 1 april 2006, maar dat [geïntimeerde 1] op grond van ongerechtvaardigde verrijking een gebruiksvergoeding verschuldigd was. Het hof wees een commerciële huurprijs af vanwege vertragingen die deels aan de exploitatiemaatschappij te wijten waren. De vordering tot onverschuldigde betaling werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De beslagkosten bleven voor rekening van de exploitatiemaatschappij vanwege schending van de waarheidsplicht.
Het hof vernietigde het vonnis voor zover de vordering tot onverschuldigde betaling was toegewezen en bekrachtigde het verder. Proceskosten werden toegewezen aan [geïntimeerde 1] in principaal hoger beroep en gecompenseerd in incidenteel hoger beroep.