Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
moet werken van sociale dienst” vermeldt. Deze aantekening sluit naar het oordeel van het hof aan bij de opmerking zoals vermeld op de door [appellante] overgelegde verklaring ex artikel 285 lid 1 sub f Fw Pro; “
Verzoeker voldoet momenteel niet aan de inspanningsverplichting (…)”. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellante] gedurende voornoemde periode de belangen van haar schuldeisers toerekenbaar heeft veronachtzaamd en zij derhalve ten aanzien van het onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend niet te goeder trouw is geweest, althans dat het tegendeel niet aannemelijk is gemaakt. Dat [appellante] nadien, bij schrijven van [bedrijf] d.d. 2 april 2019, in het kader van haar uitkering op advies van de bedrijfsarts [de bedrijfsarts] tijdelijk (voor de duur van zes maanden) van haar inspanningsverplichting is vrijgesteld, maakt dit geenszins anders.
Bedrijfsarts heeft nog niet voldoende zicht op het verloop van het herstel en daarmee gerelateerde eventuele werkhervatting. Mede doordat zij adequate interventie ontbeert.” Het hof is dan ook van oordeel dat geenszins kan worden gesteld dat de psychosociale problematiek van [appellante] (inmiddels) duurzaam beheersbaar kan worden geacht en dat op grond hiervan derhalve niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] (reeds nu) de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.