ECLI:NL:GHSHE:2019:2220
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken deugdelijk minnelijk traject bij schuldsaneringsregeling
Appellanten hebben bij het hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg waarin hun verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat appellanten niet te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, mede vanwege een omvangrijke schuld voortvloeiend uit kennelijk onbehoorlijk bestuur van een vennootschap waarvan appellant bestuurder was.
Het hof heeft geoordeeld dat appellanten voorafgaand aan hun verzoek geen deugdelijk minnelijk traject hebben doorlopen, aangezien zij de overwaarde van hun eigen woning niet hebben ingezet in het aanbod aan schuldeisers. Dit is in strijd met de inspanningsverplichting om alle bezittingen aan te wenden voor schuldaflossing. Hierdoor zijn zij niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.
Daarnaast overweegt het hof dat zelfs indien zij ontvankelijk zouden zijn geweest, zij niet tot de schuldsaneringsregeling zouden zijn toegelaten omdat de schuld uit hoofde van het vonnis over kennelijk onbehoorlijk bestuur binnen vijf jaar voor het verzoek is ontstaan en van substantiële omvang is, waardoor niet aan de goeder trouw eis wordt voldaan.
Het beroep op de hardheidsclausule wordt verworpen omdat appellanten zich niet maximaal hebben ingespannen, onder meer doordat de woning niet is ingezet. Appellante heeft bovendien verklaard haar verzoek in te trekken indien appellant niet wordt toegelaten. Het hof verklaart het hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep wegens het ontbreken van een deugdelijk minnelijk traject en onvoldoende goeder trouw bij het ontstaan van schulden.