ECLI:NL:GHSHE:2019:2275

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juni 2019
Publicatiedatum
25 juni 2019
Zaaknummer
200.228.704_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep geldleningsovereenkomst tussen broers met betwisting en bewijslevering bedrog

Partijen zijn broers en sloten op 29 september 2011 een geldleningsovereenkomst waarbij geïntimeerde aan appellant €100.000,- leende met een looptijd tot 31 december 2014 en een contractuele rente van 8% per jaar. Appellant betaalde gedeeltelijk aflossing en rente.

In eerste aanleg werd appellant veroordeeld tot betaling van het restant van de lening en rente, terwijl de vordering tegen zijn echtgenote werd afgewezen. Appellant stelde in hoger beroep dat de leningsovereenkomst niet zoals voorgesteld was ondertekend, dat er wijzigingen waren aangebracht zonder zijn medeweten, en dat de lening eigenlijk tussen geïntimeerde en een vennootschap was gesloten.

Het hof oordeelde dat de onderhandse akte dwingende bewijskracht heeft en dat appellant zijn handtekening niet betwist, maar wel de inhoud en bood tegenbewijs aan. Het hof laat appellant toe dit tegenbewijs te leveren en tevens bewijs te leveren van bedrog of onrechtmatig handelen door geïntimeerde bij het aangaan van de overeenkomst.

Het hof bepaalt dat getuigen gehoord kunnen worden onder leiding van een raadsheer-commissaris en verwijst de zaak naar een rolzitting voor verdere procedurele afspraken. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd.

Uitkomst: Het hof laat appellant toe tegenbewijs en bewijs van bedrog te leveren en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.228.704
arrest van 25 juni 2019
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. S.H.O. Aben te Weert,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel,
advocaat: mr. E.R.Th.A. Luijten te Heerlen,
op het bij exploot van dagvaarding van 15 mei 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 februari 2017, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellant (hierna [appellant] ) als gedaagde en geïntimeerde (hierna [geïntimeerde] ) als eiser.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/223204 / HA ZA 16-414)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven in principaal appel, met productie;
- de memorie van antwoord in principaal appel en memorie van grieven in incidenteel appel, met productie;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.
Partijen zijn broers van elkaar.
Op 29 september 2011 hebben partijen een overeenkomst van geldlening (hierna ook: de onderhandse akte of de overeenkomst) ondertekend waarin onder meer staat dat [geïntimeerde] aan [appellant] op genoemde dag een bedrag van € 100.000,- heeft geleend. De lening is aangegaan tot uiterlijk 31 december 2014. Over het gehele bedrag is, volgens de overeenkomst, een contractuele rente verschuldigd van 8% per maand (kennelijk is bedoeld: 8% per jaar, maandelijks te voldoen; inleidende dagvaarding, 4).
Door of namens [appellant] is in totaal € 17.500,00 op de lening afgelost en € 8.183,33 aan rente betaald.
3.2.
[geïntimeerde] heeft - samengevat - in eerste aanleg gevorderd: veroordeling van [appellant] (en diens echtgenote hoofdelijk) tot betaling van € 82.500,- vermeerderd met de contractuele rente van 8% per jaar tot de dag der algehele voldoening en de kosten van dit geding.
[appellant] heeft verweer gevoerd.
3.3.
De rechtbank heeft het gevorderde ten aanzien van [appellant] bij het bestreden vonnis toegewezen, en het gevorderde ten aanzien van de echtgenote van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding.
3.4.
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd, naar het hof begrijpt, tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.
[geïntimeerde] heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging.
[geïntimeerde] heeft in incidenteel appel twee grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging wat betreft de afwijzing van het gevorderde ten aanzien van de echtgenote van [appellant] en tot toewijzing van het gevorderde, ook in zoverre.
[appellant] heeft in incidenteel appel verweer gevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging.
3.5.
Het hof overweegt dat het principaal appel alleen door [appellant] is ingesteld, niet (mede) door zijn echtgenote. [geïntimeerde] kon dan ook geen incidenteel appel instellen in zijn zaak tegen de echtgenote van [appellant] . Het incidenteel appel heeft echter alleen op die zaak betrekking en kan dan ook verder onbesproken blijven.
3.6.
De grieven in principaal appel spitsen zich toe op het aanbod van [appellant] om tegenbewijs te leveren wat betreft de akte (3.1 b hiervoor) en om bewijs te leveren ter staving van zijn beroep op bedrog en vernietiging van de overeenkomst van geldlening, dan wel op onrechtmatig handelen (grieven principaal appel, 32).
3.7.
[appellant] heeft aangevoerd (grieven principaal appel, 13, 30-31) dat:
• [appellant] ernstige gezondheidsklachten had, zoals hersenbloedingen; hij kon nauwelijks lezen en begreep weinig tot niets;
• [appellant] zich vrijwel volledig uit het bedrijf teruggetrokken had en de bedrijfsvoering aan [geïntimeerde] had overgelaten;
• wanneer belangrijke beslissingen dienden te worden genomen, partijen vertrouwden op hun adviseur, [adviseur van beide partijen] . Ook met betrekking tot de geldlening hebben partijen [adviseur van beide partijen] om raad verzocht;
• [adviseur van beide partijen] de oorspronkelijke geldleningsovereenkomst tussen partijen heeft opgesteld (productie 1 bij conclusie van antwoord);
• die overeenkomst diende te worden ondertekend door [appellant] en zijn echtgenote in hun hoedanigheid van bestuurders van de vennootschap (hierna de vennootschap; het gaat om een vennootschap waarin een onderneming van [appellant] was ondergebracht) en door [geïntimeerde] ;
• in verband met de ziekte van [appellant] , [geïntimeerde] zorg zou dragen voor ondertekening van de overeenkomst door alle partijen;
• [geïntimeerde] in dat kader een andere overeenkomst ter ondertekening aan [appellant] heeft voorgelegd; [geïntimeerde] heeft bij [appellant] de indruk gewekt dat hetgeen [appellant] tekende de overeenkomst was zoals door [adviseur van beide partijen] was opgesteld;
• ook de echtgenote van [appellant] in de veronderstelling verkeerde dat de haar ter ondertekening voorgelegde overeenkomst dezelfde was als de versie die [adviseur van beide partijen] had opgesteld (en om die reden heeft zij de overeenkomst ondertekend);
• achteraf is ontdekt dat er een aantal wijzigingen waren doorgevoerd in de overeenkomst die [adviseur van beide partijen] had opgesteld;
• nu echter door alle partijen steeds is gehandeld naar hetgeen hen van begin af aan voor ogen stond, te weten een lening tussen de vennootschap en [geïntimeerde] , mocht en mag [appellant] er ook op vertrouwen dat partijen zich dienovereenkomstig zouden opstellen.
3.8.
[appellant] bedoelt met dit laatste onderdeel van zijn verweer kennelijk dat [geïntimeerde] de hoofdsom van de geldlening heeft laten overschrijven op een rekening van de vennootschap en dat de vennootschap aflossingen en rente heeft betaald aan [geïntimeerde] (grieven principaal appel, 8-9).
3.9.
Het hof overweegt dat [appellant] zijn betwisting van het standpunt van [geïntimeerde] (over een geldlening tussen de broers) voldoende heeft gemotiveerd. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] voorshands met de onderhandse akte (3.1 b hiervoor) het bewijs heeft geleverd van zijn standpunt dat hij de geldlening is aangegaan met [appellant] en dat [appellant] zich persoonlijk heeft verbonden voor de schuld. De onderhandse akte heeft immers dwingende bewijskracht. [appellant] betwist de echtheid van zijn handtekening niet. [appellant] heeft echter de inhoud van de akte gemotiveerd betwist (3.7 hiervoor) en hij heeft tegenbewijs aangeboden. Het verweer van [appellant] , dat de vennootschap de hoofdsom heeft ontvangen en rente en aflossing heeft voldaan, is voorshands niet voldoende voor het tegenbewijs. Het hof zal [appellant] toelaten tot het leveren van tegenbewijs.
3.10.
Het hof is verder van oordeel dat [appellant] zijn beroep op bedrog (dan wel onrechtmatig handelen) voldoende heeft gemotiveerd (3.7 hiervoor). [geïntimeerde] heeft het gestelde bedrog gemotiveerd betwist. De bewijslast rust op [appellant] . Het hof zal [appellant] toelaten tot bewijslevering.
3.11.
Het voorgaande betekent dat [appellant] zal worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs wat betreft de onderhandse akte en tot bewijslevering wat betreft zijn beroep op bedrog. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De uitspraak

Het hof:
laat [appellant] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [appellant] persoonlijk verbonden is voor de schuld;
laat [appellant] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomst bedrog heeft gepleegd of onrechtmatig heeft gehandeld;
bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. A. Vogelzang onder verantwoordelijkheid van mr. L.S. Frakes als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 9 juli 2019 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, M. van Ham en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 juni 2019.
griffier rolraadsheer