In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplegen van verkrachting en het wederrechtelijk beroven van de vrijheid van het slachtoffer in een hotelkamer in Middelburg op 8 juni 2017. De aangeefster en de verdachten hebben meerdere onvolledige en deels onwaarachtige verklaringen afgelegd over de gebeurtenissen in de hotelkamer. Hoewel seksuele handelingen vaststaan, kon het hof niet overtuigend vaststellen dat deze tegen de wil van de aangeefster plaatsvonden of dat de verdachten zich daarvan bewust waren.
De aangeefster vluchtte in paniek uit de hotelkamer, maar het hof kon niet vaststellen wat deze paniek veroorzaakte. Het letsel van de aangeefster was niet in overeenstemming met de door haar beschreven ernstige geweldshandelingen. De verdachten verklaarden dat het contact vrijwillig was en ontkenden dwang of bedreiging. Het hof oordeelde dat de bewijsmiddelen onvoldoende waren om de tenlasteleggingen bewezen te verklaren.
De benadeelde partij had een schadevergoedingsvordering ingediend, die in eerste aanleg deels was toegewezen. Nu verdachte werd vrijgesproken, werd de vordering in hoger beroep niet ontvankelijk verklaard. Daarnaast werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf afgewezen. Het hof gelastte de bewaring van in beslag genomen voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende.