Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/275747/HA ZA 14-179)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven en vermeerdering van eis in incidenteel hoger beroep met producties;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- de akte overleggen productie in principaal hoger beroep van de zijde van de man;
- de antwoordakte in principaal hoger beroep van de zijde van de vrouw.
3.De beoordeling
de vrouwin conventie, na vermeerdering en wijziging van eis, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
tussenvonnis van 30 april 2014heeft de rechtbank een comparitie na antwoord gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 11 september 2014. Van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt.
tussenvonnis van 8 oktober 2014heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich kunnen uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportages (taxatie echtelijke woning, appartement Marokko en perceel [perceel] , Marokko). Daarnaast heeft de rechtbank bepaald (voor zover in hoger beroep van belang) dat:
- de vrouw zich bij akte dient uit te laten over de overwegingen van de rechtbank over de waarde van het perceel [perceel] , de inboedel van het appartement in Marokko en de [bank 1] -bankrekening van de man;
- de man zich bij akte dient uit te laten over de overwegingen van de rechtbank over de eigenaarslasten van de echtelijke woning, de huuropbrengsten van de bedrijfsruimte, de lasten van het bedrijfspand en de bovenwoning, de lasten van het appartement in Marokko, de waarde van het perceel [perceel] , de banksaldi en het beleggingsdepot.
tussenvonnis van 25 maart 2015heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:
- bepaald dat partijen een gezamenlijke opdracht zullen verstrekken aan een makelaarskantoor voor de verkoop van de bedrijfsruimte en bovenwoning aan [adres 1] en [adres 2] ;
- een deskundige benoemd voor de bepaling van de onderhandse verkoopwaarde van de echtelijke woning;
- een deskundigenonderzoek bevolen ter beantwoording van de vragen over de onderhandse verkoopwaarde van het appartement in Marokko en het perceel [perceel] ;
- iedere verdere beslissing aangehouden.
21 april 2017heeft een
pleidooiten overstaan van de rechtbank plaatsgevonden. Van dit pleidooi is proces-verbaal opgemaakt.
eindvonnis van 11 oktober 2017heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang:
25 maart 2015en
11 oktober 2017en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, tot:
principaal appelheeft de vrouw geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van hem in de proceskosten in beide instanties.
incidenteel appelheeft de vrouw geconcludeerd tot:
- vernietiging van de beslissing van de rechtbank van
- vernietiging van de beslissing van de rechtbank van
voorwaardelijk(voor het geval het hof de vaststelling van de waarde van het appartement in Marokko niet zal bekrachtigen):
voorwaardelijk(voor het geval het hof de beslissing van de rechtbank om het saldo van de Marokkaanse bankrekening op naam van de man vast te stellen op € 30.000,-- en die bankrekening aan de man toe te delen, niet zal bekrachtigen)
- het saldo van de Marokkaanse bankrekening (grief 8 man, voorwaardelijke grief 6 vrouw, grief 7 vrouw);
- de schulden (grief 9 man).
hofstelt vast dat door de man (overigens niet in een conclusie in een incident) in de memorie van grieven – pas in het petitum en zonder nadere onderbouwing hiervan in de memorie van grieven dan wel bij afzonderlijke akte – een incident is opgeworpen. De man concludeert, zo begrijpt het hof zijn vordering onder c), op grond van het bepaalde in art. 351 Rv Pro, tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis van 11 oktober 2017 in afwachting van de procedure bij het hof. Het hof zal allereerst op deze vordering in het incident beslissen.
rechtbankheeft in rov. 2.17 van haar vonnis van 11 oktober 2017 geoordeeld dat de man een gebruiksvergoeding aan de vrouw is verschuldigd van € 34.536,25 over de periode van 16 juli 2010 tot 1 januari 2017. Over die periode is de vrouw € 23.775,78 aan eigenaarslasten aan de man verschuldigd. De man is daarom per saldo over die periode een gebruiksvergoeding van € 10.760,47 aan haar verschuldigd. Vanaf 1 januari 2017 is hij een gebruiksvergoeding van € 450,-- per maand aan de vrouw verschuldigd.
manstelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij een gebruiksvergoeding aan de vrouw is verschuldigd. Hij voert hiertoe het volgende aan.
vrouwheeft de grief weersproken. Zij voert hiertoe het volgende aan.
hofoverweegt als volgt.
manstelt dat de vrouw geen grond heeft om van de reeds vastgestelde waarde af te wijken. Tijdsverloop maakt dit niet anders. De hypothecaire schuld staat volledig op naam van de man (de vrouw is geen schuldenaar), zodat de grief moet worden afgewezen.
hofoordeelt als volgt.
rechtbankheeft in rov. 2.22. van het vonnis van 11 oktober 2017 over de bedrijfsruimte en bovenwoning als volgt geoordeeld:
manricht zich tegen deze oordelen. Hij stelt dat de afspraak van partijen, verkoop van de bedrijfsruimte en bovenwoning aan een derde tegen een marktconforme prijs, moet worden nagekomen. Ook betwist hij de waarde van € 335.000,--. Ten slotte is de vrouw volledig draagplichtig voor de makelaarskosten omdat zij “steeds eenzijdig contact met de makelaar opneemt en hiermee de onafhankelijkheid van de makelaar in het geding heeft gebracht”. De man vermoedt dat sprake is van partijdigheid van de makelaar.
vrouwheeft de grief weersproken. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
incidentele griefstelt zij het volgende. De man heeft na het vonnis geweigerd om zijn medewerking te verlenen aan de effectuering van de toedeling van het pand [adres 1] en [adres 2] aan de vrouw en haar partner omdat hij het niet eens was met de beslissing van de rechtbank en daartegen hoger beroep zou instellen. De toedeling is daarom nog niet geëffectueerd. De vrouw ziet niet af van toedeling van het pand aan haar (het hof begrijpt: het behoud van haar aandeel in de woning en overdracht van het aandeel van de man aan haar nieuwe partner).
manbegrijpt uit de grief in het incidenteel appel dat voor de waarde moet worden uitgegaan van een marktconforme prijs bij overname of verkoop van het pand. De vrouw gaat uit van een te lage waarde, nu er meer wordt geboden door derden. Beide partijen hebben belang bij een zo hoog mogelijke waarde.
hofoverweegt als volgt.
manbetoogt in
grief 3dat de rechtbank (rov. 2.13 vonnis 25 maart 2015) de huurlasten van de panden aan [adres 1] en [adres 2] ten onrechte heeft bepaald op € 32.790,07. De huurlasten zijn hoger omdat geen rekening is gehouden met de kosten en schade die de vrouw heeft veroorzaakt door het leggen van beslag op de huurpenningen en door pas in een zeer laat stadium deze lasten deels te voldoen waardoor de kosten en schade zijn toegenomen. Daarnaast zijn de onderhoudskosten voor een te laag bedrag meegenomen. Hij heeft genoegzaam onderbouwd dat hij kosten heeft gemaakt, hetgeen bij dergelijke panden ook voor de hand ligt.
vrouwstelt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn derde grief. De huurlasten zijn vastgesteld in het vonnis van 25 maart 2015 en de grieven van de man richten zich blijkens de memorie van grieven slechts tegen het eindvonnis.
grief 3ook inhoudelijk bestreden. De huurlasten zijn niet hoger en de kosten van onderhoud zijn evenmin voor een te laag bedrag meegenomen. Zij betwist dat met het leggen van beslag onder de huurders kosten en schade is veroorzaakt. Als dit al het geval zou zijn, is dat geheel aan de opstelling van de man te wijten en is zij daarvoor niet aansprakelijk. De man heeft sommaties van ontvangen van de hypotheekbank [bank 2] . Hij heeft daar niet op gereageerd; hij heeft de schade en kosten veroorzaakt. De vrouw heeft, toen zij hiervan op de hoogte geraakte, onmiddellijk actie ondernomen om schade en kosten te voorkomen.
grief 4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de man € 1.500,-- aan haar moet betalen vanwege een door hem ontvangen en voor zichzelf gehouden borg van € 3.000,--. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar prod. 40 bij haar conclusie na deskundigenbericht (abusievelijk door haar aangeduid als “akte na enquete”).
grief 5is door de vrouw weersproken. De rechtbank is niet voorbij gegaan aan de betalingen van de lasten van het pand aan [adres 1] en [adres 2] . Zij heeft terecht overwogen dat ieder van partijen de helft van de eigenaarslasten moet dragen. De vrouw voldoet die lasten met de beslagen huurpenningen. Hierin bestaat geen achterstand.
hofzal allereerst de ontvankelijkheid van de man in zijn derde grief beoordelen. Bij de beoordeling daarvan stelt het hof het volgende voorop.
hofstelt vast dat de rechtbank de kosten van de huurpanden heeft begroot op € 32.790,07 op basis van tussen partijen niet in geschil zijnde kosten (courtage DHVC, gedeeltelijk de premie opstalverzekering en de hypotheekrente), overgelegde betalingsbewijzen (gedeeltelijk de waterschapsheffing, gedeeltelijk de lasten van Q-Energy, gedeeltelijk de gemeentelijke belastingen) en door haar begrote onderhoudskosten (€ 25,-- per maand). Voor het overige (gedeeltelijk de waterschapsheffing, gedeeltelijk de premie opstalverzekering, gedeeltelijk de lasten van Q-Energy) heeft de rechtbank, nu de man die betreffende lasten niet heeft onderbouwd, de door de man gestelde kosten afgewezen.
rechtbankoverwoog in rov. 2.27. van het vonnis van 11 oktober 2017:
€ 1.500,--aan de vrouw te betalen.”
hofbegrijpt het eerste subonderdeel van de grief aldus dat de man stelt niet te zijn gehouden tot het voldoen van de helft van de borg aan de vrouw omdat hij niet de beschikking heeft over dit bedrag.
Uit deze reactie leidt de rechtbank af dat de heer [makelaar 2] geen beëdigd makelaar is.
Een beëdiging biedt zekere waarborgen. In zoverre is de kritiek van de vrouw dan ook terecht. In hetgeen de vrouw overigens heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de heer [makelaar 2] .
De deskundige heeft in reactie op de opmerking van de vrouw dat zij niet is uitgenodigd om bij de taxatie aanwezig te zijn meegedeeld dat hij destijds telefonisch contact heeft gezocht met mr. Mol, de advocaat van de vrouw, om te vragen wanneer en hoe de taxateur in het appartement zou kunnen en dat mr. Mol hem toen heeft verwezen naar de man omdat de man de sleutels van het appartement had en het beheer deed. Aan de vrouw kan worden toegegeven dat de deskundige haar in de gelegenheid had moeten stellen bij de taxatie aanwezig te zijn. Ook op dit punt is de kritiek van de vrouw terecht.
De deskundige heeft in reactie op de opmerking van de man dat er geen rekening is gehouden met het beslag bericht dat hij inmiddels het beslagstuk heeft ontvangen en dat het beslagstuk als bijlage aan het deskundigenbericht is gehecht. De deskundige heeft de waarde van het appartement en het perceel grond evenwel niet gewijzigd. Het beslag houdt verband met een (vermeende) vordering van de heer [derde 6] uit hoofde van geldlening waaraan de rechtbank voorbij is gegaan. De deskundige heeft bij de bepaling van de waarde van het appartement en het perceel grond met het beslag dan ook terecht geen rekening gehouden.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het deskundigenbericht op twee punten niet met de vereiste zorgvuldigheid is verricht. Hierin ziet de rechtbank aanleiding aan het deskundigenbericht minder gewicht toe te kennen dat de rechtbank normaliter aan een deskundigenbericht toekent.
Uit proces-economische overwegingen zal de rechtbank geen nieuwe deskundige benoemen en de waarde van het appartement naar billijkheid vaststellen op € 801.750,-- Marokkaanse Dirham (€ 72.087,--), zijnde het gemiddelde van de door de heer [makelaar 2] vastgestelde waarde en de in opdracht van de vrouw door de heer [derde 7] verrichte taxatie. Anders dan de vrouw heeft betoogd, voert het te ver om uitsluitend van de taxatie van de heer [derde 7] uit te gaan, omdat die taxatie slechts een geveltaxatie is. Bovendien heeft de heer [derde 7] de taxatie verricht als partijdeskundige.
Voor wat betreft het perceel grond zal de rechtbank uitgaan van de door de heer [makelaar 2] vastgestelde waarde van 15.000,-- Marokkaanse Dirham (€ 1.361,--). De vrouw heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat het perceel grond een hogere waarde vertegenwoordigt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het appartement en het perceel aan de man toedelen tegen voormelde waardes. In verband met deze toedeling komt de vrouw een vorderingsrecht toe van € 36.724,-- in totaal. De rechtbank is van oordeel dat de kosten in verband met deze overdracht voor rekening van de man dienen te komen en verwijst in dit verband naar de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 december 2011 (LJN-nummer BU8687).
manbetoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het deskundigenbericht op twee punten niet met de vereiste zorgvuldigheid is verricht en dat in billijkheid een waarde van € 72.087,-- voor het appartement en € 1.361,-- voor de grond in Marokko wordt vastgesteld.
vrouwheeft de grief weersproken. De vrouw heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
hofoverweegt als volgt.
vrouwbetoogt dat de rechtbank ten onrechte het perceel grond [perceel] aan de man heeft toegedeeld tegen een waarde van Dirham 15.000,-- (€ 1.361,--) na daartoe hebben overwogen uit de gaan van de door [makelaar 2] vastgestelde waarde.
manbetoogt dat er geen reden is te twijfelen aan de door de deskundige vastgestelde waarde (€ 1.361,--). Die waarde moet als uitgangspunt dienen.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankheeft in rov. 2.46. als volgt overwogen:
manbetoogt dat de rechtbank ten onrechte terugkomt op het in het vonnis van 8 oktober 2014 gegeven oordeel dat de door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat de man het appartement met uitsluiting van de vrouw heeft gebruikt. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat hij een gebruiksvergoeding van € 166,-- per maand (met ingang van 1 januari 2015) is verschuldigd. De man voert hiertoe het volgende aan.
vrouwdat de rechtbank niet is teruggekomen op een eerdere beslissing. Zij verwijst hiervoor naar rov. 2.46. De rechtbank heeft terecht beslist dat de man vanaf 1 januari 2015 een gebruiksvergoeding is verschuldigd.
incidenteel appelin gesteld. In haar eerste grief betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte de door haar gevorderde gebruiksvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, ook niet voor de periode 10 juli 2010 tot 1 januari 2015 heeft toegewezen. Zij voert hiertoe het volgende aan.
manbetwist dat de vrouw enig verzoek aan hem heeft gedaan om het appartement te mogen gebruiken. Dit gebeurde pas in een zeer laat stadium. De grief dient op grond van gebrek aan enige rechtsgrond of redelijkheid en billijkheid te worden afgewezen.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankoverwoog in rov. 2.52.:
manbetoogt dat de rechtbank ten onrechte uitgaat van het door de vrouw gestelde saldo van de bankrekening ter grootte van € 30.000,--. Hij heeft hiertoe bij akte in hoger beroep een (ongenummerde) productie overgelegd. Het betreft stukken waaruit het saldo per peildatum blijkt. Het gaat om een saldo van Dirham 37.050,-- (€ 3.337,30).
vrouwheeft de grief weersproken. Zij betwist dat de bij akte overgelegde en later gedeponeerde bankafschriften kopieën zijn van de in het geding zijnde bankrekening en dat het door de man gestelde saldo het saldo is dat behoort bij die bankrekening. Zij voert hiertoe het volgende aan.
manheeft de incidentele grief weersproken. Er is geen reden om aan te nemen dat hij gerechtigd was tot een fors saldo, zodat er ook geen reden is om de grief van de vrouw over de rente toe te wijzen.
hofstelt allereerst vast dat de man bij akte duplicaten van bankafschriften van de bankrekening heeft overgelegd en ook heeft gedeponeerd. Het gaat om afschriften per datum van 28 februari 2010, 31 maart 2010, 30 april 2010, 31 mei 2010, 30 juni 2010, 31 juli 2010, 31 oktober 2010, 30 november 2010 en 31 december 2010. De voorwaardelijke grief 6 van de vrouw behoeft daarom – ook nu de vrouw weliswaar de echtheid van de overgelegde (en gedeponeerde) afschriften betwist – geen nadere bespreking.
rechtbankoverwoog in rov. 2.56.:
manstelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn vorderingen met betrekking tot de door hem gestelde schulden worden afgewezen omdat hij hiervoor geen dan wel onvoldoende bewijs heeft geleverd. Hij heeft in eerste aanleg verklaringen overgelegd van de diverse schuldeisers. De schuld bij de heer [derde 9] is onderbouwd door de beslaglegging op het appartement in Marokko. Bij de verdeling moet rekening worden gehouden met een drietal schulden van resp. € 13.623,71, € 30.000,-- en € 45.000,--.
vrouwheeft de grief weersproken en het bestaan van de schulden in eerste aanleg (paragraaf 18 tot en met 20 conclusie van antwoord in reconventie, proces-verbaal comparitie van partijen, brief advocaat 25 september 2014 pag. 4 en 5 en akte 17 december 2014 pag. 6 tot en met 10) en in hoger beroep betwist. Zij stelt dat de man het bestaan van de schulden niet heeft bewezen. Zij voert hiertoe het volgende aan.
hofoverweegt als volgt.