ECLI:NL:GHSHE:2019:2362

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 juli 2019
Publicatiedatum
5 juli 2019
Zaaknummer
20-001022-16
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511e SvArt. 348 SvArt. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid ontnemingsvordering na vrijspraak hennepteelt en elektriciteitsdiefstal

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, waarin de ontnemingsvordering tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel werd afgewezen. De ontnemingsvordering was gelieerd aan een strafzaak waarin verdachte werd verdacht van het opzettelijk telen van hennepplanten en diefstal van elektriciteit.

In de hoofdzaak sprak het hof verdachte vrij van deze feiten. Op grond van artikel 511e, eerste lid, juncto artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering leidt het ontbreken van een veroordeling tot niet-ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering. Hierdoor vervalt de grondslag voor het opleggen van een betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee werd de vordering definitief afgewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering wegens vrijspraak in de hoofdzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Parketnummer : 20-001022-16 (OWV)
Uitspraak : 2 juli 2019
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 1 maart 2016 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-879631-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1957,
wonende te [woonadres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, afgewezen.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens [verdachte] voornoemd naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman van de verdachte heeft afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie
De inleidende vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat vaststelt op € 364.530,18 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat voordeel de verplichting oplegt om datzelfde bedrag aan de Staat der Nederlanden te betalen.
De inleidende ontnemingsvordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aangezien in de hoofdzaak tot integrale vrijspraak is gerequireerd.
Beoordeling
[verdachte] voornoemd is bij arrest van dit gerechtshof van heden, gewezen onder parketnummer 20-000707-16, vrijgesproken van het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en/of verwerken, dan wel het opzettelijk aanwezig hebben van 4305 hennepplanten in de periode van 16 maart 2015 tot en met 20 april 2015 op het perceel aan de [adres] te Uden (feit 1), alsmede van diefstal van elektriciteit door middel van braak/verbreking aldaar in dezelfde periode (feit 2). De onderhavige ontnemingsvordering is aan deze strafzaak gelieerd.
Uit het wettelijk systeem, meer in het bijzonder uit artikel 511e, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering, moet worden afgeleid dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit aan de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat. Door de vrijspraak van de ten laste gelegde feiten in de hoofdzaak is aldus de grondslag voor de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel komen te ontvallen.
Mitsdien zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gewezen door:
mr. J. Platschorre, voorzitter,
mr. drs. P. Fortuin en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,
en op 2 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.