Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, oorspronkelijk vastgesteld op €300.000, later verlaagd naar €275.000. Hij stelde dat bodemverontreiniging door voormalige activiteiten op het buurperceel de waarde negatief beïnvloedde. Een door belanghebbende overgelegd bodemonderzoek toonde verhoogde concentraties van schadelijke stoffen, waaronder PCB's, wat aanleiding gaf tot een waardedruk.
De Heffingsambtenaar voerde aan dat het rapport tegenstrijdigheden bevatte en dat de waardedruk slechts 10% zou bedragen. Het Hof oordeelde dat het rapport van de deskundige, gelezen in samenhang met bijlagen, betrouwbaar was en dat de bodemverontreiniging een neerwaartse invloed op de waarde van de woning had.
Omdat partijen geen concrete onderbouwing van de omvang van de waardedruk gaven, stelde het Hof de waarde schattenderwijs vast op €200.000. Tevens veroordeelde het Hof de Heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierechten, kosten van rechtsbijstand, reiskosten en het bodemonderzoek. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de eerdere uitspraken vernietigd.