Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende betwistte de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €136.000 voor een bedrijfsobject in Budel per waardepeildatum 1 januari 2016. De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het gerechtshof.
Het geschil betreft de juiste waardebepaling van het bedrijfsobject, een kantoorpand met werkplaats en verkoopruimte, waarbij belanghebbende een lagere waarde van €103.000 bepleitte. De Heffingsambtenaar onderbouwde de vastgestelde waarde met een waardematrix gebaseerd op vergelijkingsobjecten en een huurwaardekapitalisatiemethode.
Het hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is. Het hof verwierp het standpunt van belanghebbende dat uitsluitend de huurwaardekapitalisatiemethode gebruikt moet worden en vond de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar. De door de Heffingsambtenaar gehanteerde kapitalisatiefactoren hielden voldoende rekening met verschillen tussen objecten.
Belanghebbende kon haar lagere waarde onvoldoende onderbouwen en het hof bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet aan de Heffingsambtenaar opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €136.000 wordt bevestigd.