ECLI:NL:GHSHE:2019:3039

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 augustus 2019
Publicatiedatum
15 augustus 2019
Zaaknummer
200.260.628_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 358 lid 4 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen tussenbeschikking omgangsregeling na verwijzing naar ouderschapsbemiddeling

In deze zaak is het hoger beroep ingesteld door de vader tegen een tussenbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarin partijen werden verwezen naar een traject Ouderschap Blijft bij Juzt, gericht op intensieve oudergesprekken en omgangsbegeleiding.

De vader verzocht om een omgangsregeling met zijn minderjarige kind, maar de rechtbank had de behandeling van de verzoeken tot omgang en kinderalimentatie aangehouden in afwachting van het traject bij Juzt. De vader stelde dat het dictum van de beschikking niet overeenkwam met hetgeen besproken was en dat de rechtbank ten onrechte geen voorlopige begeleide omgangsregeling had vastgesteld.

De moeder voerde verweer dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het een tussenbeschikking betrof waartegen hoger beroep slechts gelijktijdig met de eindbeschikking mogelijk is. Het hof overwoog dat de bestreden beschikking inderdaad een tussenbeschikking is, die geen onherroepelijk karakter heeft, en dat de doorbrekingsjurisprudentie niet van toepassing is op tussenbeschikkingen.

Het hof concludeerde dat het hoger beroep niet ontvankelijk is en verklaarde de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek. De beschikking is gegeven door drie raadsheren en uitgesproken op 15 augustus 2019.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens het karakter van de beschikking als tussenbeschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 15 augustus 2019
Zaaknummer: 200.260.628/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/350117 / FA RK 18-5201
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. I.M. van den Heuvel,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.G.M. Baas.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 6 juni 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
1) te bepalen dat de vader en de hierna nader te noemen [minderjarige] omgang met elkaar zullen mogen hebben eenmaal in de veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot maandagmorgen voor schooltijd en gedurende de helft van de feestdagen en vakanties;
2) de moeder te veroordelen aan die omgang mee te werken;
3) te bepalen dat de door de vader verzochte omgang in zal gaan het tweede weekend volgend op de datum van de te geven beschikking, en
4) de verzochte beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,
althans een zodanige omgangsregeling te treffen en met ingang van zodanige datum als het
hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
2.2.
De mondelinge behandeling, waarbij alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de vader aan de orde was, heeft plaatsgevonden op 8 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de vader, bijgestaan door mr. Van den Heuvel;
  • de moeder, bijgestaan door mr. Baas.

3.3. De beoordeling

3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Uit de relatie van partijen is geboren:
- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
3.2.
De moeder oefent van rechtswege het eenhoofdig gezag uit over [minderjarige] .
3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank partijen verwezen naar Juzt voor een traject Ouderschap Blijft, gericht op het houden van intensieve oudergesprekken. De behandeling van de verzoeken tot omgang en kinderalimentatie zijn pro forma aangehouden tot 8 oktober 2019, zulks in afwachting van de oudergesprekken en de reacties van (de advocaten van) partijen over hoe de zaak verder moet worden afgedaan. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij stelt -kort weergegeven- het volgende.
Het dictum van deze beslissing komt niet overeen met hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg, namelijk een ouderschapsbemiddelingstraject, maar dan wel in combinatie met begeleide omgang. Partijen zijn het erover eens dat begeleide omgang kan worden gestart. De kinderrechter heeft dan ook ten onrechte nagelaten om een voorlopige begeleide omgangsregeling vast te stellen. Daardoor zijn de vader en [minderjarige] nu verstoken van omgang met elkaar. De beschikking is zozeer in strijd met de regels van een behoorlijke procesorde dat hoger beroep daartegen mogelijk moet zijn.
3.5.
De moeder heeft verweer gevoerd als volgt. De vader dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep. De ouders gaan een traject in van ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding bij Juzt, dat door dit hoger beroep vertraging heeft opgelopen. De moeder staat achter begeleide omgang, maar het is aan Juzt om te bepalen of en wanneer begeleide omgang wordt opgestart.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.6.
Ingevolge het bepaalde in artikel 358 lid 4 Rv Pro kan van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Gelet hierop is allereerst de ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep aan de orde.
3.7. Voor het onderscheid tussen een (al dan niet gedeeltelijke) eindbeschikking en een tussenbeschikking is volgens vaste rechtspraak doorslaggevend of door middel van een beslissing in het dictum van de beschikking een eind is gemaakt aan het geschil omtrent enig deel van het verzochte. Daarbij is doorslaggevend of de beslissing een onherroepelijk
karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt.
3.7.
Een beschikking met een inhoud als de bestreden beschikking is naar het oordeel van het hof een tussenbeschikking. In het dictum wordt immers niet uitdrukkelijk een eind gemaakt aan het geschil omtrent enig deel van het verzochte, maar het betreft een verwijzing naar Juzt voor een door de ouders te doorlopen traject Ouderschap blijft, ter instructie van de zaak.
Het gaat hier dus om een tussenbeschikking, waartegen hoger beroep niet uitdrukkelijk door de rechter is opengesteld.
Voor zover de man een beroep doet op de ‘doorbrekingsjurisprudentie’ overweegt het hof dat die jurisprudentie niet geldt voor tussenbeschikkingen. Het stellen van een doorbrekingsgrond maakt een tussenuitspraak niet vatbaar voor hoger beroep (vgl. HR 5 juni 1998, ECLI:NL:HR 1998:ZC2664).
Daarnaast overweegt het hof nog dat er geen sprake is van strijd met artikel 6 EVRM Pro aangezien aan dat artikel niet het recht op hoger beroep kan worden ontleend.
Het hof overweegt voorts dat zowel uit het proces-verbaal als uit de bestreden beschikking voldoende duidelijk blijkt dat het de bedoeling is dat het traject bij Juzt zowel de communicatie tussen partijen als het komen tot contactherstel tussen de man en [minderjarige] betreft.
Voorts blijkt uit blz. 5 van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg dat de rechter heeft gevraagd hoe partijen staan tegenover een ouderschapsbemiddelingstraject in combinatie met begeleide omgang. De man heeft daarop geantwoord: “Ik ben bereid mee te weken aan zo’n traject. Ik vind het wel jammer dat de omgang tussen mij en mijn dochter dan weer wordt uitgesteld.”
Het hof begrijpt uit deze reactie van de man dat hij ter zitting wel degelijk heeft begrepen dat deelname aan het traject betekent dat de rechter niet aanstonds een voorlopige begeleide omgangsregeling zou opleggen.
Het staat de rechter bovendien vrij om in het belang van [minderjarige] eerst de resultaten van het traject bij Juzt af te wachten, vooraleer een beslissing omtrent een begeleide omgangsregeling wordt genomen. Op deze wijze kan Juzt immers vanuit het eigen professionele kader aan partijen maatwerk leveren op hun hulpvraag en zo nodig de rechter informeren over de mogelijkheden van een omgangsregeling.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vader niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Hoger beroep van de bestreden beschikking dient te worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking. Het hof zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en
J.C.E. Ackermans-Wijn en is op 15 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.