Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het verloop van de procedure
- [verzoeker] , bijgestaan door mr. Zegveld;
- namens de Congregatie de daartoe gemachtigde pater [vicevoorzitter van het bestuur van de Congregatie] , vicevoorzitter van het bestuur van de Congregatie, bijgestaan door mr. Baetens;
2.De gronden van het verzoek
3.De beoordeling
Met het uitbrengen van de appeldagvaarding is de procedure in hoger beroep immers op de voet van artikel 125 lid 1 Rv Pro sinds 9 april 2019 aanhangig in hoger beroep. Dat betekent dat van een verzoek tot het horen van getuigen in het kader van een voorlopig getuigenverhoor door het hof moet worden behandeld op de voet van artikel 187 lid 1 Rv Pro. Het stond [verzoeker] vrij om een dergelijk verzoek in het kader van het hoger beroep van de bodemprocedure aanhangig te maken bij het hof. Hierbij laat het hof meewegen dat een geslaagd hoger beroep tegen de beschikking van 5 december 2018 vanaf 9 april 2019 - gezien de gebruikelijke appeltermijn van drie maanden en behandeltermijn bij het hof van enkele maanden - niet tot het horen van getuigen bij de rechtbank doch op de voet van artikel 187 lid 1 Rv Pro slechts tot het horen van getuigen door het hof zou hebben kunnen leiden. Het hof had immers alsdan de zaak niet terug kunnen verwijzen voor behandeling naar de rechtbank indien de bodemzaak inmiddels bij het hof aanhangig was. Om die reden is op dit punt geen sprake van schending van de goede procesorde. Het verzoek is derhalve als zodanig ontvankelijk.