ECLI:NL:GHSHE:2019:3159
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging weigering toelating schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goeder trouw
In deze zaak hebben appellanten verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 sub b en Pro c Faillissementswet, omdat niet aannemelijk was dat zij te goeder trouw waren bij het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, en omdat onvoldoende vertrouwen bestond dat zij de verplichtingen uit de regeling zouden nakomen.
De schulden omvatten een aanzienlijke preferente belastingschuld en diverse andere schulden, waaronder aan energieleveranciers. De rechtbank oordeelde dat appellanten onvoldoende inspanningen hadden verricht om hun schulden te voldoen, mede gelet op het ontbreken van bewijs van arbeidsongeschiktheid en het niet aantonen van maximale inspanningen voor het verkrijgen van werk.
In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat zij sinds het beëindigen van hun onderneming actief hebben gesolliciteerd, dat gezondheidsproblemen het fulltime werken belemmeren en dat de belastingschuld inmiddels is verminderd. Het hof heeft deze stellingen onderzocht en geoordeeld dat de belastingschulden niet te goeder trouw zijn ontstaan, dat de inspanningen van appellanten onvoldoende waren en dat de medische stukken geen volledige of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid aantonen.
Het hof concludeert dat appellanten niet te goeder trouw zijn geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden en dat onvoldoende aannemelijk is dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zullen nakomen. Daarom wordt het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek tot toelating afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van goeder trouw en onvoldoende vertrouwen in nakoming.