Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde op 1 augustus 2019 het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, die bij vonnis van de rechtbank was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 50 maanden.
De rechtbank had de schorsing van de voorlopige hechtenis reeds opgeheven vanwege de ernst en omvang van de bewezenverklaarde feiten en de strafoplegging, waarbij de persoonlijke belangen van verdachte ondergeschikt werden geacht aan de strafvorderlijke belangen en het belang van de samenleving.
Het hof overwoog dat het veroordelend vonnis een zelfstandige grond vormt voor voorlopige hechtenis conform artikel 75, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, en dat de vrijheidsbeneming rust op artikel 5, eerste lid onder a van het EVRM. Hierdoor heeft verdachte niet zonder meer recht op berechting in vrijheid.
Bij de belangenafweging voor schorsing moet sprake zijn van bijzondere, zwaarwichtige persoonlijke omstandigheden, welke niet zijn aangevoerd of gebleken. Daarom wijst het hof zowel het verzoek tot opheffing als het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.