ECLI:NL:GHSHE:2019:3170

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 augustus 2019
Publicatiedatum
23 augustus 2019
Zaaknummer
20-000001-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 SvArt. 75 SvArt. 80 SvArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing en schorsing voorlopige hechtenis na veroordeling tot langdurige gevangenisstraf

Verdachte werd in verzekering gesteld wegens verdenking van ontucht met zijn minderjarige pleegdochter. De rechtbank wees aanvankelijk de verlenging van de voorlopige hechtenis af wegens het ontbreken van gevaar voor herhaling, waarna de voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Later werd verdachte veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar. De rechtbank beval gevangenneming vanwege de ernst van het misdrijf en het contact van verdachte met minderjarigen in zijn omgeving, uit angst voor herhaling.

Verdachte verzocht het hof om opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis. Het hof oordeelde dat het veroordelend vonnis een zelfstandige grond vormt voor voorlopige hechtenis en dat het gevaar voor herhaling nog steeds aanwezig is. Het verzoek tot schorsing werd afgewezen omdat geen bijzondere zwaarwichtige omstandigheden waren aangevoerd die het belang van de samenleving bij voortzetting van de hechtenis zouden doen wijken.

Het hof wees daarom zowel het verzoek tot opheffing als het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis af, waardoor de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht
Hofnummer: [Ressortsparketnummer]
Parketnummer 1e aanleg: [Arrondissementsparketnummer]
Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft gezien het verzoekschrift d.d. [datum 4] , binnengekomen bij het hof d.d. [datum 5], ingediend namens:
naam
[Achternaam]
voornamen
[Voornamen]
geboren
[Geboortedatum, -plaats & -land]
wonende te
[Woonplaats]
adres
[Woonplaats]
thans verblijvende
in [Detentieplaats]
waarbij primair wordt verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het ontbreken van gronden, subsidiair de voorlopige hechtenis te schorsen.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door diens raadsman mr. J.H.L. Antonides.
Het hof heeft kennis genomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat verdachte op [datum 1] in verzekering is gesteld wegens verdenking van ontucht met zijn minderjarige pleegdochter. Vervolgens is tegen verdachte een bevel voorlopige hechtenis afgegeven waarbij als grond voor de voorlopige hechtenis is aangevoerd het gevaar voor herhaling. De rechtbank heeft op [datum 2] de vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis afgewezen omdat naar het oordeel van de rechtbank er geen ernstig gevaar voor herhaling meer was. De voorlopige hechtenis van de verdachte is vervolgens opgeheven.
Verdachte is op [datum 3] door de [rechtbank] voor het aan hem verweten feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar. Tevens is bij dat vonnis de gevangenneming van verdachte bevolen.
Verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep aangetekend.
De rechtbank heeft de gevangenneming van verdachte als volgt gemotiveerd:
‘’
Gelet op de verwerpelijkheid van het door verdachte gepleegde misdrijf, waarbij de rechtbank vooral wijst op het feit dat het slachtoffer juist op de plek die haar rust en veiligheid behoorde te bieden en dat verdachte juist van die kwetsbaarheid op grovelijke wijze misbruik heeft gemaakt, en gelet op het feit dat verdachte – via zijn kleinkinderen dan wel ( contacten via) voetbalclubs of anderszins in zijn directe omgeving in contact staat met minderjarigen, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de vrijheid van verdachte direct wordt ontnomen. De rechtbank zal daarom de gevangenneming van verdachte bevelen.’’
Namens verdachte is primair verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen vanwege het ontbreken van gronden.
Het hof zal dat verzoek afwijzen. Gelet op het bepaalde in artikel 75, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering vormt het veroordelend vonnis waarbij aan verdachte een gevangenisstraf is opgelegd een zelfstandige grond voor de voorlopige hechtenis.
Voorts maakt het hof uit de motivering van de rechtbank van de beslissing tot gevangenneming op dat de rechtbank aan de voorlopige hechtenis ook het gevaar voor herhaling ten grondslag heeft gelegd. Het hof stemt daarmee in gelet op de omstandigheid dat verdachte zich kennelijk seksueel aangetrokken voelt door minderjarigen en hij blijkens de overweging van de rechtbank met minderjarigen al dan niet veelvuldig in contact kan komen. Daaraan doet niet af dat de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat er destijds onvoldoende gevaar voor herhaling was om daar de voortzetting van de voorlopige hechtenis op te baseren.
Voor wat betreft het verzoek tot schorsing overweegt het hof als volgt.
Door het veroordelend vonnis is de vrijheidsbeneming komen te rusten op artikel 5, eerste lid onder a van het EVRM. Dat betekent onder meer dat de verdachte niet zonder meer het recht toekomt zijn berechting in vrijheid af te wachten, nu er sprake is van een veroordeling door een daartoe bevoegde rechterlijke instantie. Bij de vraag of de voorlopige hechtenis dient te worden geschorst is sprake van een nieuwe belangenafweging waarbij gelet op het veroordelend vonnis, waarbij aan verdachte voor een ernstig feit een langdurige gevangenisstraf is opgelegd, er in beginsel sprake moet zijn van bijzondere zwaarwichtige, de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden, op grond waarvan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis, dient te wijken voor het persoonlijk belang van de verdachte.
Dergelijke omstandigheden zijn niet aangevoerd, noch is het hof anderszins van het bestaan ervan gebleken.
Een en ander betekent dat het hof ook het subsidiaire verzoek, namelijk het verzoek tot schorsing, zal afwijzen.
Het hof wijst af het verzoek.
BESCHIKKENDE
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gedaan op 1 augustus 2019
door mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter, mr. J.P.F. Rijken en mr. G.P.M.F. Mols, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier.
Fiat betekening en tenuitvoerlegging:
's-Hertogenbosch,
De advocaat-generaal,
Gezien d.d.
De directeur van [Detentieplaats]