In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter waarbij appellant werd veroordeeld tot betaling van een openstaande kredietschuld. De kredietovereenkomst betreft een doorlopend krediet met een maximum van ƒ 20.000, afgesloten in 1999. De kredietverstrekker stelde appellant in gebreke en eiste de restantschuld ineens op wegens betalingsachterstand.
Appellant voerde verweer tegen de cessie en stelde dat het krediet al was afgelost, dat hem niet duidelijk was dat het een doorlopend krediet betrof, en dat hij geen inzicht had in de status van het krediet. Het hof stelde vast dat de kredietovereenkomst duidelijk een doorlopend krediet betreft en dat appellant hiermee akkoord is gegaan.
Het centrale geschilpunt betrof de vraag of de ingebrekestelling, die een voorwaarde is voor een rechtsgeldige opeising van het gehele krediet, rechtsgeldig was. Het hof oordeelde dat de ingebrekestelling van 21 juli 2014 niet voldeed aan de wettelijke eisen omdat de betalingsachterstand minder dan twee maanden bedroeg. Hierdoor kon de opeising niet rechtsgeldig plaatsvinden.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, wees de vordering af en veroordeelde de kredietverstrekker in de proceskosten van beide instanties. Dit arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.