De minderjarige, geboren in 2018, wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd door complexe, meervoudige problematiek bij beide ouders, waaronder persoonlijke, verslavings- en relationele problemen. De ouders spannen zich in om aan hun problematiek te werken en er is hulpverlening vanuit het vrijwillige kader, maar deze blijkt ontoereikend.
De moeder is het niet eens met de ondertoezichtstelling en stelt dat vrijwillige hulpverlening voldoende is. Zij werkt mee en er is begeleiding vanuit diverse instanties. De vader is gestart met therapie en gebruikt geen harddrugs meer. De raad en de gecertificeerde instelling (GI) benadrukken echter dat de vrijwillige hulpverlening onvoldoende zicht biedt op de belangen van de minderjarige en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om regie te voeren en veiligheid te waarborgen.
Het hof overweegt dat de gronden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld: de minderjarige wordt ernstig bedreigd in zijn ontwikkeling door de problematiek van de ouders, waaronder borderline en middelengebruik, en de onveilige thuissituatie met terugkerende relationele conflicten en politie-inzet. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om regie te houden op de hulpverleningstrajecten en de veiligheid van de minderjarige te waarborgen.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank Limburg van 13 maart 2019, waarmee de ondertoezichtstelling is uitgesproken voor de duur van twaalf maanden. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 29 augustus 2019.