De zaak betreft een hoger beroep van de officier van justitie tegen de schorsing van de voorlopige hechtenis van een verdachte die wordt verdacht van meervoudige mishandeling en bedreiging van zijn vriendin. De rechtbank had de voorlopige hechtenis geschorst omdat het persoonlijk belang van de verdachte zwaarder woog dan het strafvorderlijk belang en de doelen van voorlopige hechtenis ook met voorwaarden konden worden bereikt.
De officier van justitie verzette zich tegen de schorsing vanwege het hoge risico op recidive, de proeftijd waarin verdachte verkeerde, en het ontbreken van een volledig plan van aanpak door de reclassering. Verdachte ontkende de feiten en gaf aan het contact met zijn vader te willen verbreken en elders te willen wonen. Uit het dossier bleek dat verdachte lid was van een overlastgevende jeugdgroep, verstandelijk beperkt was en dat eerdere hulpverlening weinig effect had gehad.
Het hof overwoog dat verdachte in beginsel het recht heeft om zijn berechting in vrijheid af te wachten, tenzij er gevaar voor herhaling is. Het hof vond dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de schorsing met voorwaarden het risico op herhaling voldoende kon beperken. Daarbij speelde mee dat de penitentiaire inrichting een negatieve omgeving is voor een beïnvloedbare verstandelijk beperkte jeugdige en dat schorsing verdere schade kan voorkomen.
Het hof bevestigde de schorsing onder voorwaarden, waaronder toezicht door de reclassering en verblijf elders dan de woonplaats van verdachte. Het hoger beroep van de officier van justitie werd afgewezen.