In deze civiele zaak staat een samenwerkingsovereenkomst tussen een woningstichting en een bouwonderneming centraal, betreffende de ontwikkeling van woningbouw op percelen met een agrarische bestemming. Na eerdere tussenarresten en een uitgebreide comparitie is het geschil over de nakoming van artikel 6.3 van de overeenkomst voortgezet.
WonenBreburg heeft haar eis op enkele punten gewijzigd, waaronder een vordering tot betaling van een voorschot gebaseerd op een taxatierapport, welke door het hof niet is toegelaten vanwege procesrechtelijke bezwaren en betwisting van de grondslagen door de bouwonderneming. De bouwonderneming betwistte ook de reikwijdte van het overleg en de wijze van waardebepaling, maar het hof oordeelde dat het overleg over opties is uitgeput en dat alleen de verkoop aan derden resteert.
Het hof wijst de vordering van WonenBreburg toe dat de bouwonderneming binnen vier weken na betekening moet meewerken aan verkoop en levering van de percelen aan derden, onder dreiging van een dwangsom. Tevens moet de bouwonderneming 50% van het verschil tussen de derdekoopprijs en de oorspronkelijke koopprijs, vermeerderd met de helft van bepaalde kosten, aan WonenBreburg betalen. Subsidiaire rentevorderingen en andere vorderingen van partijen zijn afgewezen. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd en de bouwonderneming wordt veroordeeld in de proceskosten.