Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
[de minderjarige 2]die optreden in hun hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van wijlen [erflater] ,
1.Het verloop van de procedure
- de stukken van de procedure in eerste aanleg;
- de appeldagvaarding;
- de memorie van grieven van [appellante] , met producties;
- de memorie van antwoord van [geintimeerden c.s.] met producties;
- het op 26 augustus 2019 gehouden pleidooi, waarbij [appellante] pleitnotities heeft overgelegd.
2.De beoordeling
- dat er sprake is van een plicht voor [erflater] om de wijziging van een bestemming in het verzekerde pand bij haar te melden ;
- dat de bestemming van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] was gewijzigd;
- en dat [erflater] die wijziging niet heeft gemeld bij haar.
bij het aangaanvan de verzekeringsovereenkomst en niet op het niet mededelen van een bestemmingswijziging of risicoverzwaring gedurende de looptijd van de verzekering. Nu de betreffende verzekeringsovereenkomsten niets vermelden over de termijn waarbinnen [appellante] aan de verzekerde/ [geintimeerden c.s.] had moeten melden dat er een hennepkwekerij in het pand aanwezig was geweest en dat er volgens haar sprake was van schending van de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht met betrekking tot bestemmingswijziging van het verzekerde pand, kan niet worden geoordeeld dat [appellante] met haar brief van 15 december 2014 “te laat” zou zijn geweest, waardoor zij geen beroep meer zou kunnen doen op het verval van recht-beding in de polissen.
- dat de tot 21 juli 2014 in het pand aanwezig geweest zijnde hennepkwekerij niet de oorzaak is geweest van de brand op 18/19 augustus 2014 in de zin dat de brand bijvoorbeeld door geknoei met de elektriciteit is ontstaan, en
- dat er na 21 juli 2014 geen hennepkwekerij meer in het pand was en in die zin de bestemming van het verzekerde pand weer de oude was,
niettot de conclusie kan leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellante] een beroep op de verval van recht-bedingen in de bedrijfsgebouwen- en de inboedelverzekering doet, waarbij een algeheel verval van recht op uitkering krachtens die verzekeringen het gevolg is.
- Dat er een hennepkwekerij in de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] is geweest die op 21 juli 2014 is opgerold en dat [erflater] van die kwekerij moet hebben geweten staat, zoals hiervoor is overwogen, wel vast. Dat [erflater] de exploitant van die kwekerij is geweest of op een andere strafbare manier daarbij betrokken is geweest echter niet: er is door [appellante] geen enkel verifieerbaar stuk (zoals een proces-verbaal van de politie, een schrijven van het openbaar ministerie over eventuele vervolging van [erflater] tussen 21 juli 2014 en 18/19 augustus 2014) in het geding gebracht waar dat uit zou kunnen blijken.
- Duidelijk is dat niet bekend is wie [erflater] om het leven heeft gebracht. Evenmin is bekend wat het motief daarvoor is geweest. Ook op dit punt laat [appellante] het (noodgedwongen) bij vermoedens en aannames die, hoe begrijpelijk vanuit haar visie wellicht ook, niet rechtvaardigen dat het in de polisvoorwaarde vereiste verband wordt aangenomen.
- Het voorgaande geldt ook voor de stelling van [appellante] dat [erflater] eerder, in 2010, twee hennepkwekerijen zou hebben gehad. Uit geen enkel controleerbaar stuk blijkt dat deze stelling juist is en/of dat [erflater] voor betrokkenheid bij die kwekerijen strafrechtelijk aansprakelijk is gesteld en veroordeeld, nog afgezien van het feit dat een verband tussen de beweerde exploitatie van die hennepkwekerijen in 2010 en het bijna vier jaar later om het leven komen van [erflater] niet uit de overgelegde stukken kan worden afgeleid.
- grieven I, V en VI (voor zover betrekking hebbend op de ongevallenverzekering) falen en dat het vonnis van de rechtbank, voor zover betrekking hebbend op de verklaring voor recht dat [appellante] de schade als gevolg van het overlijden van [erflater] op 18/19 augustus 2014, dient te vergoeden onder de ongevallenverzekering en de veroordeling van [appellante] tot nakoming van de ongevallenverzekering door betaling van € 5.000,00, zal worden bekrachtigd;
- grieven II, III, IV en VI (voor zover betrekking hebbend op de bedrijfsgebouwenverzekering en de inboedelverzekering) slagen en dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd ;
- het hof de vorderingen van [geintimeerden c.s.] ter zake van de bedrijfsgebouwenverzekering en de inboedelverzekering alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geintimeerden c.s.] tot terugbetaling aan [appellante] van € 120.000,00, € 6.000,00 en € 3.362,37, vermeerderd met wettelijke rente;
- het hof [geintimeerden c.s.] als voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
3.De uitspraak
- € 618,00 aan griffierecht;
- € 2.842,00 aan salaris advocaat;
- € 97,31 aan dagvaardingskosten;
- € 1.952,00 aan griffierecht;
- € 9.483,00 aan salaris advocaat;