In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2019 vernietigd, waarbij appellant failliet was verklaard. Appellant had in hoger beroep verzocht het faillissement te vernietigen met het argument dat hij niet is opgehouden te betalen en dat er geen pluraliteit van schuldeisers was.
Het hof heeft vastgesteld dat de vordering van geïntimeerde en andere schuldeisers erkend wordt en dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Echter is uit de stukken en de bevestiging van de curator gebleken dat appellant met al zijn schuldeisers betalingsregelingen heeft getroffen en dat betalingen conform deze afspraken zijn verricht. Tevens is een bedrag gestort op een derdenrekening ten behoeve van de curator.
Gezien deze omstandigheden concludeert het hof dat appellant niet langer in de toestand verkeert van opgehouden te betalen. Hierdoor voldoen de faillissementsvereisten niet meer en vernietigt het hof het faillissementsvonnis. Het hof wijst het verzoek tot faillietverklaring af en bepaalt dat de kosten van het faillissement voor rekening van appellant komen.