De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant waarin haar verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing met haar minderjarige kind naar een andere plaats werd afgewezen. Tevens ging het om de vastgestelde regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.
Tijdens de mondelinge behandeling op 2 oktober 2019 bereikten partijen overeenstemming over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De vader zal een bedrag van € 2.000 aan de moeder overmaken en een bankrekening openen voor het kind waarop maandelijks een bedrag wordt gestort ter dekking van kosten voor levensonderhoud en studie. De overige verzoeken met betrekking tot de verhuizing en zorgregeling werden pro forma aangehouden tot 3 januari 2020.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank voor zover deze de verzoeken van de moeder over de huwelijkse voorwaarden betrof en verklaarde de nieuwe regeling uitvoerbaar bij voorraad. De overige verzoeken werden aangehouden om partijen de gelegenheid te geven hun hulptraject bij een bureau voort te zetten en verslag te doen van de ontwikkelingen.