De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2019, waarin de omgangsregeling met zijn minderjarige kind werd geschorst voor de duur van één jaar. De vader oefent samen met de moeder het ouderlijk gezag uit, maar het hoofdverblijf is bij de moeder. Sinds eind oktober 2017 is de omgangsregeling niet meer uitgevoerd.
De vader betwist de schorsing en stelt dat de procesgang bij de rechtbank niet correct is verlopen en dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk is om duidelijkheid te scheppen over het contact. De gecertificeerde instelling (GI), de moeder, de bijzondere curator en de raad pleiten voor bekrachtiging van de schorsing, waarbij zij wijzen op de noodzaak van traumabehandeling voor het kind en het ontbreken van een basis voor contactherstel.
Het hof overweegt dat het belang van het kind voorop staat en dat het kind duidelijk heeft aangegeven voorlopig geen contact met de vader te willen. Het hof acht traumabehandeling noodzakelijk voordat contactherstel kan plaatsvinden en ziet af van een nader onderzoek door de raad of bijzondere curator om onrust te voorkomen. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en compenseert de proceskosten in hoger beroep.