In deze arbeidsrechtelijke zaak stond centraal of een cao-voorziening, die voorziet in premievrije voortzetting van pensioenopbouw, gelijkwaardig is aan de transitievergoeding zoals bedoeld in artikel 7:673b BW. De werknemer was sinds 2003 in dienst en viel in 2016 wegens ziekte uit. Na een WIA-uitkering en een ontslagvergunning werd de arbeidsovereenkomst in 2018 opgezegd.
De werknemer vorderde betaling van de transitievergoeding, terwijl de werkgever zich beriep op de cao-voorziening als gelijkwaardige voorziening. Het hof stelde dat de bewijslast hiervoor bij de werkgever ligt en dat een rekenkundige vergelijking moet worden gemaakt tussen de gekapitaliseerde waarde van de pensioenvoorziening en de transitievergoeding.
Partijen verschilden over de exacte bedragen, maar het hof oordeelde dat zelfs met de meest gunstige cijfers voor de werkgever de pensioenvoorziening niet gelijkwaardig was aan de transitievergoeding. Daarbij werd ook het partnerpensioen niet meegerekend als gelijkwaardige voorziening. De werkgever kon onvoldoende onderbouwing geven waarom de cao-voorziening gelijkwaardig zou zijn.
Het hof vernietigde de eerdere afwijzing van de transitievergoeding en veroordeelde de werkgever tot betaling van € 28.898,10 bruto plus wettelijke rente vanaf 1 september 2018. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen. De proceskosten werden aan de zijde van de werkgever toegewezen.