De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die het ouderlijk gezag over haar minderjarige zoon beëindigde en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemde. De minderjarige verblijft sinds 2016 onder toezicht van de GI en is uit huis geplaatst, wonend bij een pleegmoeder sinds oktober 2016.
De moeder betwist de beëindiging van het gezag en voert aan dat zij geen eerlijke kans heeft gekregen om te laten zien dat zij voor haar kind kan zorgen. Zij stelt dat het emotionele belang van het behoud van haar gezag zwaarwegend is en dat het kind goed gehecht is aan de pleegmoeder. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming pleiten voor bekrachtiging van de beschikking, stellende dat het belang van het kind bij duidelijkheid en continuïteit voorop staat.
Het hof oordeelt dat de wettelijke voorwaarden voor beëindiging van het gezag zijn vervuld, waarbij het belang van het kind bij een stabiele en gestructureerde opvoeding zwaarder weegt dan het emotionele belang van de moeder. De moeder is niet in staat om de benodigde zorg te bieden, ook niet met ondersteuning. De jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling ondermijnen het belang van het kind. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en benoemt de GI tot voogd.