ECLI:NL:GHSHE:2019:4083
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep partneralimentatie: vaststelling bijdrage levensonderhoud vrouw
In deze zaak staat de vaststelling van partneralimentatie centraal na beëindiging van het huwelijk van partijen. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van haar verzoek tot partneralimentatie door de rechtbank. Het hof heeft het geschil inhoudelijk opnieuw beoordeeld, waarbij het uitgaat van de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank en de aanvullende stellingen van partijen.
Partijen zijn gehuwd sinds 2007 en hebben drie minderjarige kinderen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en verblijven deels bij de man, die in ploegendienst werkt. De vrouw werkt onregelmatig en verdient gemiddeld tussen €250 en €300 netto per maand, mede door de zorg voor de kinderen. Het hof stelt dat zij redelijkerwijs minimaal 20 uur per week kan werken en daarmee een fictief inkomen van €892 netto per maand kan verwerven.
De behoefte van de vrouw wordt vastgesteld op €1.293 netto per maand, waardoor haar aanvullende behoefte op €400 netto per maand wordt gesteld. De man heeft een netto besteedbaar inkomen van €3.535 per maand en een draagkracht van €1.978, waarvan 60% beschikbaar is voor partneralimentatie. Na aftrek van kinderkosten resteert een draagkracht voor partneralimentatie van €165 netto, vermeerderd met het fiscale voordeel tot €266 bruto per maand.
Het hof vernietigt het eerdere vonnis voor zover het partneralimentatie betreft en bepaalt dat de man met ingang van 8 april 2019 €266 bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: De man moet vanaf 8 april 2019 maandelijks €266 bruto partneralimentatie aan de vrouw betalen.