Op 28 juli 2017 vond een schietincident plaats waarbij klager, bestuurder van een VW bus, werd geraakt door een politieagent tijdens een aanhouding. Klager diende een klaagschrift in tegen de politieagent wegens mishandeling en schieten met een vuurwapen. Uit het onderzoek, waaronder verklaringen van betrokkenen en forensisch bewijs, bleek dat de politieagent handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en bevoegd was geweld te gebruiken volgens de Politiewet 2012.
De politieagent schoot omdat hij vanuit de VW bus een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op zich gericht zag, wat een directe bedreiging vormde. Hoewel klager gewond raakte, oordeelde het hof dat het optreden proportioneel en subsidiar was. Klager had de mogelijkheid zich terug te trekken, maar de politie moest handelend optreden vanwege het gevaar en de aard van de aanhouding.
Het hof oordeelde dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor onrechtmatig politieoptreden en dat strafvervolging niet aangewezen is. Het beklag tegen het niet vervolgen van de politieagent wordt daarom afgewezen. Het hof verklaarde zich niet bevoegd om te oordelen over het geweld door andere politieagenten na het incident en verwees dat deel van het beklag naar het gerechtshof Den Haag.