Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij haar drie minderjarige kinderen onder toezicht werden gesteld van een gecertificeerde instelling (GI). De oudste dochter, geboren in 2004, en de jongere tweeling, geboren in 2013, stonden onder toezicht vanwege ernstige zorgen over hun thuissituatie.
De moeder betwistte de ondertoezichtstelling en stelde dat er geen sprake was van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. Zij erkende wel dat er in het verleden sprake was van forse ruzies en fysiek geweld met de (stief)vader, maar benadrukte dat dit geen doorlopende situatie van huiselijk geweld was en dat de veiligheid van de kinderen altijd voorop stond.
De raad en de GI stelden dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk was vanwege de ernstige bedreiging van de belangen van de kinderen, mede door huiselijk geweld en verslavingsproblematiek van de (stief)vader. Na een ernstig incident werden de kinderen uit huis geplaatst. Inmiddels verblijft de oudste dochter weer thuis, terwijl voor de tweeling een terugplaatsing wordt voorbereid.
Het hof oordeelde dat de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling niet langer gelden voor de oudste dochter, die zelfstandig en weerbaar is en geen ernstige bedreiging meer ondervindt. Voor de jongere kinderen blijft de ondertoezichtstelling echter noodzakelijk vanwege hun kwetsbaarheid en de onzekerheid over de thuissituatie na terugplaatsing. De GI blijft de situatie monitoren en hulpverlening wordt voortgezet.
Het hof vernietigde daarom de ondertoezichtstelling voor de oudste dochter vanaf heden en wees het verzoek van de raad voor haar ondertoezichtstelling af. Voor de tweeling werd de ondertoezichtstelling bekrachtigd voor de periode tot 26 juni 2020.