Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 15 januari 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 26 september 2019, waarbij (de advocaat van) VGZ spreekaantekeningen heeft overgelegd en de vooraf bij H12-formulier van 9 september 2019 door (de advocaat van) [appellante] toegezonden producties 16 en 23 bij akte in het geding zijn gebracht.
6.De beoordeling
In een zorgovereenkomst tussen [hulpbehoevende 1] en [appellante] gedateerd 1 oktober 2010 staat dat [hulpbehoevende 1] persoonlijke verzorging van [appellante] ontvangt op variabele uren tegen een uurloon van € 29,59.
In een zorgovereenkomst tussen [hulpbehoevende 1] en [appellante] eveneens gedateerd 1 oktober 2010 staat dat [hulpbehoevende 1] persoonlijke verzorging van [appellante] ontvangt op variabele uren tegen een maandloon van € 1.420,-.
Subsidiair heeft VGZ ongerechtvaardigde verrijking van [appellante] aan haar vordering ten grondslag gelegd.
2.14. (…) In het onderhavige geval rijst allereerst de vraag of in de relatie tussen VGZ en [appellante] sprake is van ongerechtvaardigde verrijking waarbij VGZ geldt als de gestelde verarmde. In dit verband geldt dat ingevolge rechtspraak van de Hoge Raad het bestaan van een aan de verrijking ten grondslag liggende (rechtsgeldige) overeenkomst tussen de verrijkte en de verarmde in beginsel de verrijking rechtvaardigt, maar een verrijking van een partij bij een overeenkomst ten koste van een derde wordt niet steeds en zonder meer door de betreffende overeenkomst gerechtvaardigd (vgl. HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5986, NJ 2012/495 (Ponzi-scheme). Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat er “een zeker verband” tussen de verrijking en verarming dient te bestaan (zie Parl. Gesch. BW boek 6 1981, p 829. De wetgever heeft de nadere uitwerking van dit criterium overgelaten aan de rechtspraak. Van ongerechtvaardigde verrijking kan ook sprake zijn indien de verrijking heeft plaatsgevonden door tussenkomst van een derde. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door VGZ ingestelde vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking niet reeds uitgesloten is omdat de gestelde verrijking van [appellante] gebaseerd is op de tussen haar met [hulpbehoevende 1] en/of [hulpbehoevende 2] gesloten zorgovereenkomsten. Met andere woorden: ook indien als vaststaand wordt aangenomen dat de tussen [appellante] met [hulpbehoevende 1] en/of [hulpbehoevende 2] gesloten zorgovereenkomsten op zichzelf daadwerkelijk bestaan en steeds volledig door [appellante] zijn uitgevoerd, geldt dat dit aan ongerechtvaardigde verrijking van [appellante] ten opzichte van VGZ niet in de weg staat. Zulks mede gezien het doel en strekking van de PGB-regeling, te weten het uitbetalen van subsidiegelden aan budgethouders teneinde hen hiermee in staat te stellen passende zorg in te kopen. Indien vastgesteld wordt dat tegenover de uitbetaling door de budgethouder geen, dan wel onvoldoende passende zorg door de zorgverlener is verleend, zou dit mee kunnen brengen dat de vermogensvermeerdering van de zorgverlener een rechtvaardiging mist.
door haar op dit punt ingenomen stellingname”) samengevat in rov. 2.10:
- [hulpbehoevende 1] heeft op 6 juli 2011 verklaard dat [appellante] zelf nooit zorg heeft verleend en dat evenmin sprake is geweest van dagbesteding;
- Op het eerste controleformulier van 14 april 2009 staat [appellante] vermeld als “kennis/vriendin” en staat dat het rekeningnummer waarop de gelden voor [hulpbehoevende 1] worden ontvangen op naam staat van [appellante] ;
- Op het tweede controleformulier van 28 april 2009 staat [appellante] als kennis vermeld en staat dat het rekeningnummer waarop de gelden voor [hulpbehoevende 1] worden ontvangen op naam staat van [hulpbehoevende 1] ;
- Op de verantwoordingsformulieren van 7 maart tot en met 30 juni 2009 en 1 juli tot en met 31 december 2009 staat [appellante] als persoonlijk zorgverlener vermeld en op beide formulieren worden exact de betaalde voorschotten verantwoord;
- Bij de verantwoording over de periode 1 januari tot en met 30 juni 2010 staat de eenmanszaak van [appellante] als zorgverlener vermeld, hetgeen duidt op belangenverstrengeling;
- [appellante] heeft als manager dagbesteding voor haar eenmanszaak het persoonlijk plan van [hulpbehoevende 1] opgesteld, terwijl zij daarop ook staat vermeld als aangenomen dochter, persoonlijk begeleider/verzorger en plan coördinator. Ook dit duidt op belangenverstrengeling;
- De looptijd van de zorgovereenkomst is gewijzigd van bepaalde tijd (tot 31 december 2010) naar onbepaalde tijd en het uurtarief is gewijzigd in een maandbedrag, terwijl de datum van ondertekening ongewijzigd is gebleven. Het verantwoorde bedrag komt ongeveer overeen met de uitbetaalde voorschotten;
- De op 1 januari 2010 getekende zorgovereenkomst verwijst naar een volmacht die pas op 10 februari 2011 is ondertekend;
- [appellante] heeft ING op 7 augustus 2012 bericht al anderhalf jaar geen contact meer te hebben met [hulpbehoevende 1] , niet te beschikken over een volmacht en nimmer een betaling dan wel opname te hebben gedaan;
- Gewerkte dagen en uren ontbreken op de facturen van [appellante] , terwijl de Regeling Persoonsgebonden budget AWBZ 2009 dit wel vereist;
- Het lijkt erop of de facturen op een en hetzelfde moment zijn gemaakt;
- De handtekening budgethouder ontbreekt op de kwitanties;
- Op de bankrekening van [hulpbehoevende 1] staan geen opnamen vermeld die corresponderen met de kwitanties;
- [hulpbehoevende 1] had geen pasje van haar bankrekening en haar bankrekening werd door [appellante] als betaalrekening gebruikt en het geld op deze rekening werd door [appellante] gebruikt voor haar eigen (consumptieve) bestedingen.
- Het verantwoordingsformulier van [hulpbehoevende 2] over de periode 1 juli tot en met 31 december 2010 heeft [appellante] ten onrechte ondertekend als bewindvoerder;
- Het verantwoordingsformulier van [hulpbehoevende 2] over de periode 1 januari 2011 tot en met 18 april 2011 heeft [appellante] ten onrechte ondertekend als voogd;
- Het gedeclareerde bedrag over drie en een halve maand (1 januari 2011 tot en met 18 april 2011) is substantieel, terwijl het hoogste halfjaarlijkse bedrag daaraan voorafgaand € 9.904,13 bedroeg;
- [appellante] staat op diverse stukken vermeld als dochter en heeft verzocht alle correspondentie naar haar huisadres te sturen;
- € 112.635,91, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW met ingang van 5 juni 2013 tot de dag van volledige betaling.
- € 2.526,41 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening va het vonnis tot de dag van volledige betaling.
in een Excellijst (voor [hulpbehoevende 1] 1040,2 uur in 2009, 1317,5 in 2010 en 482 in 2011 en voor [hulpbehoevende 2] 240 uur in 2009, 660,75 in 2010 en 670 in 2011).
€ 21.676,-). Het hof zal hierna verwijzen naar (de bedragen op) deze facturen als: uitgaven stervensbegeleiding.
Het vorengaande brengt mee dat het hof de door VGZ gestelde en door [appellante] betwiste feiten (nog) niet als vaststaand kan vaststellen, en dat VGZ op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro dient te bewijzen dat tegenover de aan [appellante] door [hulpbehoevende 1] en/of [hulpbehoevende 2] betaalde PGB-gelden geen, dan wel niet steeds, sprake is geweest van door of via [appellante] verleende passende zorg.
[appellante] heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangeboden haar stellingen, waaronder de stelling tegenover de uitbetaling door de budgethouder steeds passende zorg te hebben verleend, te bewijzen onder meer door het horen van getuigen.
8.De uitspraak
's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;