Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/252493/KG ZA 18-375)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met acht bijlagen en eiswijziging;
- de memorie van antwoord met twee producties;
- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;
- de bij formulier H12 van 22 oktober 2019 door [geïntimeerde] toegezonden productie, die hij bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.
3.De beoordeling
- met de aflossing van de kredietfaciliteiten is de vordering tot zekerheid waarvan het hypotheekrecht was gevestigd teniet gegaan, zodat [geïntimeerde] geen belang meer heeft bij dat hypotheekrecht en medewerking moet verlenen aan de doorhaling daarvan.
- de financiering door [geïntimeerde] is verstrekt onder de voorwaarde dat de uitstaande kredieten ineens en volledig opeisbaar zouden zijn bij het overlijden van [enig bestuurder van de vennootschap] en na diens overlijden heeft [geïntimeerde] ook direct de kredietvoorzieningen opgezegd en (terug)betaling verlangd, waardoor [appellante] is genoodzaakt andere financiers te zoeken.
- de aanwezigheid van een aanzienlijke hoeveelheid, deels thans niet benutte, fosfaatrechten in de onderneming van [appellante] is juist de omstandigheid die het voor derden aantrekkelijk maakt om [appellante] te financieren.
- [geïntimeerde] is slechts bereid geweest kortdurende pachtcontracten te sluiten met betrekking tot het overgrote deel van de (pacht)gronden die [appellante] nodig had voor de exploitatie van het melkveebedrijf. In 2018 heeft [geïntimeerde] die pachtcontracten niet verlengd, waardoor hij het [appellante] onmogelijk heeft gemaakt om het voor haar normale exploitatie benodigde stuks vee aan te houden. Daarmee is de basis onder haar bedrijf uitgehaald.
- naast het hypotheekrecht op het recht van erfpacht hebben vader en [aandeelhouder van de vennootschap 2] voor de vorderingen van [geïntimeerde] zekerheid gesteld door het vestigen van een recht van hypotheek op een perceel bosgrond te [plaats] van 0.80.50 ha en op twee percelen cultuurgrond met een totaal oppervlak van 1.73.05 ha. De waarde van die percelen, naar bij pleidooi is aangevoerd om en nabij € 100.000,=, is voldoende om een vordering ter grootte van twee jaar erfpachtcanon zeker te stellen.
- bij de totstandkoming van de regelgeving op grond waarvan de fosfaatrechten zijn verleend is de verwachting geuit dat de regeling voor de duur van tien jaar zal gelden. Omdat de erfpachtovereenkomst langer loopt dan die periode van 10 jaar, zullen er aan het eind van de erfpachtovereenkomst geen fosfaatrechten meer in het bedrijf aanwezig zijn.
en schuldenaar[hof: [de vennootschap] ]
is, of kan sprake zijn, van een schuldverhouding op grond waarvan de schuldenaar tegenover de schuldeiser tot enige betaling verplicht is, of wordt.