ECLI:NL:GHSHE:2019:444
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging weigering toelating schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw
In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bekrachtigd waarin het verzoek van de schuldenaar tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De schuldenaar had een aanzienlijke belastingschuld opgebouwd, voornamelijk door onterecht ontvangen kinderopvangtoeslag die zij niet tijdig had stopgezet.
De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar niet te goeder trouw was, omdat zij wist of had moeten weten dat zij geen recht meer had op de toeslag, maar deze toch bleef ontvangen en gebruikte voor andere doeleinden. De schuldenaar voerde aan dat haar handelen voortkwam uit psychosociale problemen en dat zij inmiddels onder beschermingsbewind staat, waardoor zij de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro inroept.
Het hof stelde vast dat de schuldenaar geen medische of hulpverleningsverklaringen had overgelegd om haar psychische problematiek aannemelijk te maken en dat zij ondanks eerdere schuldsanering wist wat de gevolgen waren van haar handelen. Het hof concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de schuldenaar niet te goeder trouw was en dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de weigering van toelating tot de schuldsaneringsregeling wegens het niet te goeder trouw zijn van de schuldenaar.