Verdachte werd door de rechtbank veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor uitkeringsfraude over bijna zes jaar en het bezit van een vuurwapen met munitie. In hoger beroep bevestigde het hof de bewezenverklaring van deze feiten, maar matigde de straf tot 9 maanden gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De verdediging voerde aan dat verdachte in 2010 werkzaamheden verrichtte met instemming van de gemeente, waardoor de pleegperiode van de fraude beperkt zou moeten worden. Het hof oordeelde echter dat het niet opgeven van inkomsten uit andere 'handeltjes' de fraude rechtvaardigt en handhaafde de bewezenverklaring over de periode van 2009 tot 2014.
De strafoplegging werd gebaseerd op de ernst van de fraude en het verboden wapenbezit, eerdere veroordelingen van verdachte en de LOVS-oriëntatiepunten. De strafvermindering werd toegekend vanwege een totale termijnoverschrijding van ruim zeven maanden in eerste aanleg en hoger beroep, waarbij het hof het recht op een redelijke termijn benadrukte.