De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk beledigen van twee ambulancemedewerkers op 12 februari 2016 in Uden. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte meerdere beledigende uitingen heeft gedaan, waaronder grove scheldwoorden gericht aan de hulpverleners tijdens hun werkzaamheden.
De verdachte ontkende de beledigingen, maar het hof vond de verklaringen van de ambulancemedewerkers en het proces-verbaal van bevindingen overtuigend. Het klachtvereiste voor vervolging werd niet toegepast omdat ambulancemedewerkers gelijkgesteld worden aan ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening.
Het hof hield rekening met de ernst van de beledigingen, de maatschappelijke functie van de ambulancemedewerkers en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn blanco strafblad en zorg voor zijn hulpbehoevende vriendin. De opgelegde straf is een taakstraf van 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis.
De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard omdat deze reeds voldaan waren via een eerdere strafzaak. De kosten worden ieder voor eigen rekening genomen.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met bovenstaande uitspraak.