Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
6.De beoordeling
- Partijen hebben vanaf april 2015 een kortdurende affectieve relatie met elkaar gehad.
- [geïntimeerde] heeft op 2 juli 2015 vanaf haar bankrekening € 1.135,-- overgemaakt naar de bankrekening van [appellant] .
- [geïntimeerde] heeft eveneens op 2 juli 2015 vanaf haar bankrekening € 5.954,-- overgemaakt naar de bankrekening van [appellant] , met als omschrijving “Lening [appellant] ”.
- [geïntimeerde] heeft op 23 juli 2015 vanaf haar bankrekening € 3.700,-- overgemaakt naar de bankrekening van [appellant] met omschrijving “Lening”.
- Via een WhatsApp-bericht van 12 oktober 2015 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld:
- Bij brief van 25 januari 2016 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven dat [geïntimeerde] op 2 juli 2015 en 23 juli 2015 in totaal € 10.789,-- ter leen heeft verstrekt aan [appellant] . [appellant] is in de brief gesommeerd om het bedrag binnen veertien dagen na de datum van de brief terug te betalen. Ook is in de brief aangekondigd dat, indien het bedrag niet binnen veertien dagen terugbetaald is, [appellant] dan € 882,89 aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd is, te vermeerderen met € 185,41 aan btw, en dat dan een gerechtelijke procedure tegen hem zal worden gestart.
- Bij brief van 2 februari 2016 heeft [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerde] geschreven, samengevat, dat de overboekingen die [geïntimeerde] in juli 2015 heeft gedaan schenkingen betroffen en geen geldleningen.
- een hoofdsom van € 10.789,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 maart 2016;
- € 26,53 aan over de hoofdsom vervallen rente, berekend tot en met 24 maart 2016;
- € 1.068,30 aan buitengerechtelijke kosten;
- subsidiair: onverschuldigde betaling;
- meer subsidiair: ongerechtvaardigde verrijking;
- nog meer subsidiair: vernietiging van een door misbruik van omstandigheden tot stand gekomen schenking.
- Voor de totstandkoming van een overeenkomst van geldlening is niet vereist dat deze schriftelijk is vastgelegd. Een overeenkomst van geldlening kan ook mondeling gesloten worden. [geïntimeerde] heeft haar stelling dat een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, feitelijk en concreet onderbouwd. [appellant] heeft de stelling niet voldoende gemotiveerd betwist. De vordering tot terugbetaling van het bedrag van € 10.789,-- is daarom toewijsbaar (rov. 4.5).
- De vordering tot vergoeding van € 1.083,15 inclusief btw ter zake buitengerechtelijke kosten is eveneens toewijsbaar (rov. 4.6).
- € 10.789,-- vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 25 maart 2016;
- € 26,53 aan tot en met 24 maart 2016 over de hoofdsom vervallen rente;
- € 1.083,15 aan buitengerechtelijke kosten.
- afwijzing alsnog van de vorderingen van [geïntimeerde] ;
- veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] alles terug te betalen wat [appellant] op grond van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de betaling tot de dag van de terugbetaling;
- [geïntimeerde] heeft in juli 2015 in totaal € 10.789,-- overgemaakt naar [appellant] , terwijl partijen pas kort een affectieve relatie hadden. Dat de bedragen niet als geldlening maar als schenking werden overgeboekt, zoals door [appellant] is gesteld, ligt niet zonder meer voor de hand gelet op de omvang van het bedrag en de korte duur dat partijen pas een relatie hadden. Dat geldt te meer nu [appellant] niet, althans niet op voldoende duidelijke wijze, heeft gesteld dat tussen partijen besproken is dat [geïntimeerde] de overgeboekte bedragen bij wege van schenking aan [appellant] verstrekte.
- [geïntimeerde] heeft bij de overboeking van het bedrag van € 5.954,-- op 2 juli 2015 en bij de overboeking van het bedrag van € 3.700,-- op 23 juli 2015 met zoveel woorden vermeld dat deze overboekingen een geldlening betroffen. [appellant] heeft niet betwist dat [geïntimeerde] bij de overboeking van € 1.135,-- op 2 juli 2015 eenzelfde vermelding had willen plaatsen, maar dit vergeten is. Indien [geïntimeerde] daadwerkelijk, zoals [appellant] heeft gesteld, de bedragen aan hem had willen schenken, valt niet in te zien waarom zij bij de overboekingen tot tweemaal toe als vermelding ‘lening’ heeft geplaatst.
- [appellant] heeft destijds niet op enigerlei wijze kenbaar gemaakt dat hij niet instemde met de aanduiding ‘lening’ bij het overboeken van de bedragen. Als [appellant] werkelijk meende dat hij de bedragen geschonken kreeg, had van hem verwacht mogen worden dat hij [geïntimeerde] over de vermelding ‘lening’ had aangesproken en daarover opheldering had gevraagd. Vast staat dat [appellant] dat niet gedaan heeft. De hiervoor door [appellant] gegeven reden, dat hij niet heeft gezien welke omschrijving bij de overboekingen was geplaatst omdat hij daar niet naar gekeken heeft, moet voor zijn rekening en risico blijven. Het hof acht het bovendien niet aannemelijk dat [appellant] niet heeft gekeken naar de omschrijving bij de onderhavige omvangrijke bijschrijvingen op zijn bankrekening.