Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken, in het bijzonder het rapport d.d. 4 oktober 2018 van de keuringsarts drs. [keuringsarts] en de brief d.d. 11 januari 2018 van de huisarts van mevrouw [partner van de man] , [huisarts van de partner van de man] , en het verhandelde ter zitting is genoegzaam gebleken dat mevrouw [partner van de man] op medische gronden niet in staat is, en evenmin geacht kan worden, om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
Nu mevrouw [partner van de man] niet over eigen inkomen beschikt, noch zich naar redelijkheid enig inkomen kan verwerven, houdt het hof bij de berekening van de draagkracht van de man met ingang van 10 november 2016 naar redelijkheid rekening met de premie ziektekostenverzekering van mevrouw [partner van de man] ten bedrage van € 158,61 per maand (zoals blijkt uit de door de man in hoger beroep overgelegde productie 15) en met haar eigen risico van € 32,- per maand. Ook houdt het hof naar redelijkheid rekening met de aflossing op het ten behoeve van deze procedure opgemaakte keuringsrapport van drs. [keuringsarts] . Uit de door de man in hoger beroep overgelegde productie 16 blijkt dat de man met ingang van 1 oktober 2018 gedurende 9 maanden € 50,- per maand aflost, met een slottermijn van € 35,-. Om redenen van efficiency houdt het hof reeds met ingang van 1 augustus 2018 rekening met de aflossing van € 50,- per maand. Het hof gaat ervan uit dat partijen in staat zijn om na de aflossingsperiode van 10 maanden in staat zullen desgewenst de draagkracht van de man in onderling overleg en mede aan de hand van de door het hof in deze beschikking geformuleerde uitgangspunten, nader te berekenen.
Het hof houdt geen rekening met de premie begrafenisverzekering en evenmin met de aflossing terzake de advocaatkosten nu het geen noodzakelijke lasten betreffen die voorrang hebben boven de dringende onderhoudsverplichting van de man jegens de kinderen.
Het hof houdt evenmin rekening met de aflossing op de lening van de auto. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man de auto met name voor de omgang met de kinderen ( [jongmeerderjarige] en [minderjarige 1] ) heeft gebruikt. Het hof constateert dat de vrouw ook dergelijke kosten heeft moeten maken. Naar redelijkheid dienen beide partijen deze kosten uit hun eigen vrije ruimte te voldoen.
Samenvattend houdt het hof in het draagkrachtloos inkomen van de man met ingang van 10 november 2016 rekening met een bedrag van € 158,61 per maand en een bedrag van € 32,- per maand, en met ingang van 1 augustus 2018 daarenboven met een bedrag van € 50,- per maand.
De man heeft in zijn beroepschrift nog gesteld dat ook rekening moet worden gehouden met tandartskosten, doch de man heeft die stelling ter zitting bij het hof ingetrokken, zodat deze stelling onbesproken kan blijven.