Appellante is bij vonnis van 24 november 2015 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft bij vonnis van 19 december 2018 geoordeeld dat appellante toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen uit de regeling, vanwege het ontstaan van een bovenmatige nieuwe schuld van €9.074 aan terugvorderingen van belastingtoeslagen. De rechtbank weigerde de toekenning van de schone lei en wees een verlenging van de regeling af wegens onvoldoende zekerheid over toekomstige inkomsten en het ontbreken van een betalingsregeling met de Belastingdienst.
Appellante is tegen dit oordeel in hoger beroep gekomen en heeft aangevoerd dat zij pas laat van de schuld op de hoogte was, geen informatie had ontvangen, en dat zij een betalingsregeling kan treffen om de schuld binnen een verlengde termijn af te lossen. Zij erkent de toerekenbaarheid, maar wijst op haar wisselende inkomen en de mogelijkheid om meer te werken nu haar kind naar school gaat.
De bewindvoerder heeft betoogd dat de schuld bovenmatig is, dat het inkomen van appellante zeer wisselend en onzeker is, en dat er onvoldoende aflossingscapaciteit is om de schuld binnen een verlengde regeling af te lossen. Ook wijst de bewindvoerder op het ontbreken van een plan van aanpak en op het feit dat een hoger inkomen leidt tot verlies van toeslagen, waardoor het besteedbaar inkomen niet evenredig stijgt.
Het hof overweegt dat appellante toerekenbaar tekort is geschoten en dat deze tekortkoming niet buiten beschouwing kan blijven. Het ontbreken van een financieel onderbouwd plan van aanpak en de onvoldoende aflossingscapaciteit maken een verlenging van de regeling niet verantwoord. Ook het niet-naleven van de sollicitatieplicht in het verleden weegt mee. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot verlenging af, waardoor geen schone lei wordt verleend.