Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
4.De uitspraak
wonende te [postcode] [woonplaats] , aan de
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De appellant verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim €141.000, ontstaan onder meer door faillissementen van twee ondernemingen waarvan hij bestuurder was. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van de schulden en dat hij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn financiële situatie het onmogelijk maakte om aan betalingsafspraken te voldoen, dat hij zich wel degelijk inspande om schulden te voldoen en dat hij inmiddels een betaalde baan had gevonden. Hij stelde dat de schulden grotendeels ouder waren dan vijf jaar en dat hij de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro inroept.
Het hof oordeelde dat appellant niet geheel te goeder trouw was geweest ten aanzien van enkele schulden, maar dat deze schulden ouder waren dan vijf jaar en dus niet meer relevant voor de toetsing. Gelet op de omstandigheden, zijn inspanningen om zijn financiële situatie te verbeteren en het feit dat hij inmiddels een betaalde baan heeft, werd het beroep op de hardheidsclausule gehonoreerd.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees alsnog de toelating tot de schuldsaneringsregeling toe, waarbij het hof tevens de griffier van de rechtbank Limburg instrueert over de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog toe en vernietigt het vonnis van de rechtbank.