Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
5.Beslissing
bevestigtde uitspraak van de Rechtbank.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belanghebbende was in 2013 gehuwd met zijn ex-echtgenote, aan wie een persoonsgebonden budget (pgb) werd toegekend. De ex-echtgenote verklaarde in een verantwoordingsformulier dat zij een bedrag van circa €5.495 aan belanghebbende had uitbetaald voor verleende zorg. Belanghebbende had deze inkomsten niet opgegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting.
De Inspecteur stelde de aanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet vast op basis van het pgb en het renseignement van het Zorgkantoor, ondanks betwisting door belanghebbende. De rechtbank oordeelde dat de Inspecteur aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende de inkomsten had genoten, mede gelet op onverklaarde contante transacties en bankoverboekingen tussen belanghebbende en zijn ex-echtgenote.
Belanghebbende voerde in hoger beroep geen nieuw bewijs aan en stelde dat hij de aanslagen niet kon betalen, hetgeen het Hof niet relevant achtte voor de beoordeling. Het Hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het griffierecht niet hoeft te worden vergoed en dat geen proceskosten worden toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet worden bevestigd.