In deze civiele zaak draait het om de vraag of de huurder van een steiger tekort is geschoten door deze niet onbeschadigd terug te geven aan de verhuurder na schade door losgeraakte boom en opstuwend water.
De huurovereenkomst bestond nog toen de schade ontstond. De huurder stelde dat de tekortkoming niet aan haar toe te rekenen is, omdat de schade het gevolg was van uitzonderlijke weersomstandigheden en de verhuurder de situatie heeft gemonitord en verantwoordelijk was voor de demontage.
Het hof oordeelde dat de huurder niet in schuld is te nemen, omdat zij tijdig de verhuurder informeerde over de dreigende situatie en een inspectieprocedure werd afgesproken waarbij de verhuurder de situatie monitorde. De verhuurder beschikte over personeel en was verantwoordelijk voor de verwijdering van de steiger.
Er was geen causaal verband tussen het ontbreken van een CAR-verzekering door de huurder en de schade. De tekortkoming kon niet op grond van wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen aan de huurder worden toegerekend.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde de verhuurder in de proceskosten van het hoger beroep.