Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
de ingevolge een keuzevan de belastingplichtige en zijn partner tot stand gekomen onderlinge verhouding. Ofwel, de wettekst verzet zich niet ertegen onder dat vierde lid alle gevallen te begrijpen waarin de aanvankelijk tot stand gekomen onderlinge verhouding nadien door de belastingplichtige en zijn partner wordt gewijzigd, derhalve ook gevallen waarin, om welke reden dan ook, wordt afgeweken van de verdeling bij helfte zoals bedoeld in artikel 2.17, lid 3, van de Wet IB 2001.
beidepartners onherroepelijk vaststaan. Deze goedkeuring hangt samen met de per 2005 gewijzigde behandeling van aangiften van fiscale partners door de Belastingdienst.
Kamerstukken II, vergaderjaar 2007-2008, 31 404, nr. 3, blz. 6-7)
Kamerstukken II, vergaderjaar 2007-2008, 31 404, nr. 3, blz. 6-7)
Kamerstukken II, vergaderjaar 2007-2008, 31 404, nr. 3, blz. 20-21)
Kamerstukken II, vergaderjaar 2007-2008, 31 404, nr. 5, blz. 1-2)
Passenheim-van der Schoot-leer. Het Hof gaat aan dat betoog voorbij, gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-317/15,
X, EU:C:2017:119.
5.Beslissing
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.