Belanghebbende verkreeg een voormalige balletzaal die omgevormd zou worden tot een woning, maar ten tijde van de verkrijging ontbraken nog essentiële bouwkundige voorzieningen zoals leidingen voor keuken en sanitaire voorzieningen. De Rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en een deel van de overdrachtsbelasting teruggegeven.
De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het hof heeft beoordeeld of de onroerende zaak op het moment van verkrijging naar zijn aard als woning kan worden aangemerkt in de zin van artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Het hof concludeert dat de onroerende zaak niet alle bouwkundige kenmerken van een woning had en dat meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het geschikt te maken voor bewoning.
Het hof baseert zich op de wetsgeschiedenis, jurisprudentie van de Hoge Raad en de feitelijke situatie, waarbij het ontbreken van leidingen voor keuken en sanitaire voorzieningen doorslaggevend is. Het hof vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waardoor het hogere tarief van 6% overdrachtsbelasting terecht is toegepast.