Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 27 juni 2017 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de comparitie van 29 augustus 2017;
- het ambtshalve royement van de zaak op 3 oktober 2017;
- de hervatting van de zaak op 21 november 2017;
- de memorie van grieven met zes producties (genummerd 14 tot en met 19) en wijziging van eis;
- de memorie van antwoord met vier producties (genummerd 1 tot en met 4).
6.De beoordeling
- a. Mr. [bestuurder van appellante] (hierna te noemen: [bestuurder van appellante] ), bestuurder van [appellante] , is bijna 40 jaar als advocaat werkzaam geweest. Na doorhaling (op eigen verzoek) van het tableau heeft hij in 2011 een advies- (en incasso)praktijk voortgezet.
- b. Omstreeks mei 2012 is [bestuurder van appellante] via de heer [derde] in contact gekomen met de heer [betrokkene] (hierna te noemen: [betrokkene] ). In het eerste gesprek tussen [bestuurder van appellante] en [betrokkene] (aan de keukentafel) is gesproken over een aantal kwesties ter zake waarvan [betrokkene] (enig) advies van [bestuurder van appellante] wenste.
- c. [bestuurder van appellante] is vervolgens tot advisering overgegaan. Dit advies had betrekking op aan [betrokkene] gelieerde vennootschappen.
- d. [betrokkene] had in oktober 2011 via zijn persoonlijke holding [beheer b.v.] Beheer B.V. (hierna te noemen: [beheer] Beheer) 60% van de aandelen in [geïntimeerde] verkregen.
- e. [geïntimeerde] is een holdingmaatschappij, met (in totaal drie) werkmaatschappijen, waarin het Hotel [hotel] werd geëxploiteerd (Hotel [hotel] B.V.: hierna te noemen Hotel [hotel] ), een onderneming werd gedreven op het gebied van catering en evenementen (Royal [royal] : hierna te noemen Royal) en het in het hotel gevestigde restaurant werd uitgebaat. De kamers van het hotel werden verhuurd aan een andere vennootschap van de heer [betrokkene] , genaamd Flex [flex] (hierna te noemen: Flex [flex] ), in verband met de huisvesting van ongeveer 70 arbeidsmigranten.
- f. Bij Hotel [hotel] en Royal bestonden problemen met de voormalig bestuurder, alsmede financiële problemen, waarna op 17 juli 2012 het faillissement van deze werkmaatschappijen is uitgesproken.
- g. [bestuurder van appellante] heeft een brief opgesteld, gedateerd 17 oktober 2012, die aan [betrokkene] en [beheer] Beheer is gericht. In deze brief is vermeld:
- h. Op verzoek van [betrokkene] heeft [bestuurder van appellante] een kennis van [betrokkene] , de heer [naam 14] , van (juridisch) advies voorzien. Ter zake heeft [appellante] een factuur d.d. 27 december 2012 (over de periode 14 juli 2012 tot 27 december 2012) aan [betrokkene] ad € 1.385,45 incl. BTW verzonden, waarbij een uurtarief van € 150,-- excl. BTW is gehanteerd. Deze factuur is door [betrokkene] voldaan.
- i. Bij brief van 1 februari 2013 schrijft [bestuurder van appellante] aan [beheer] Beheer:
- j. [bestuurder van appellante] heeft ook een andere kennis van [betrokkene] , de heer [naam 16] , advies gegeven, waarvoor [appellante] een factuur d.d. 1 november 2013 ad € 1.936,-- incl. BTW (uurtarief € 150,— excl. BTW) aan [betrokkene] /Flex- [flex] heeft gezonden. Ook deze factuur heeft [betrokkene] betaald.
- k. Bij factuur van 3 april 2014 heeft [appellante] een bedrag van € 13.059,63 incl. BTW bij [geïntimeerde] in rekening gebracht. Dit betreft een voorschotnota ten aanzien van honorarium ad € 10.000,-- (vermeerderd met 21% BTW ad € 2.100,--) en een (door [bestuurder van appellante] betaalde) nota van mr. Van der Tak (Markiezaat Advocaten B.V.) ad € 959,63. In deze factuur schrijft [bestuurder van appellante] :
- m. Bij factuur van 1 november 2014 (inzake [geïntimeerde] / [naam 5] ) heeft [appellante] (over de periode van 13 augustus 2012 t/m 22 oktober 2014) een bedrag van € 11.189,11 incl. BTW aan [geïntimeerde] en [betrokkene] gefactureerd, waarbij een uurtarief van € 160,-- is gehanteerd en ook een (door [appellante] betaalde) factuur van mr. Van der Tak ad € 671,79 is doorbelast.
- n. Betaling van deze factuur heeft niet plaatsgevonden.
- o. Bij brief van 26 november 2014 aan [geïntimeerde] heeft [bestuurder van appellante] aangegeven ter zake honorarium een bedrag van ongeveer € 29.250,-- excl. BTW (en excl. kantoorkosten) in rekening te zullen brengen, nader te verrekenen met het reeds betaalde voorschot van € 10.000,-- excl. BTW en de ter beschikking gestelde Iphone. Als bijlagen zijn declaraties betreffende diverse werkzaamheden bijgevoegd.
- p. Bij e-mail van 20 januari 2015 aan [betrokkene] heeft [bestuurder van appellante] [betrokkene] gevraagd om (na verrekening van het voorschot ad € 10.000,—) ter zake honorarium een totaalbedrag van € 27.516,05 incl. BTW (en incl. 6% kantoorkosten) aan hem te voldoen.
- q. In reactie hierop heeft de advocaat van [betrokkene] bij brief van 27 januari 2015 aan [bestuurder van appellante] bericht dat niet tot betaling van genoemd bedrag wordt overgegaan, waarin hij aangeeft:
- r. Bij brief van 2 februari 2015 heeft [bestuurder van appellante] de advocaat van [betrokkene] gesommeerd tot betaling binnen 8 dagen.
- s. Hierna heeft [appellante] drie facturen, gedateerd 5 juni 2015, aan [geïntimeerde] verzonden, waarbij respectievelijk een bedrag van € 2.678,07 incl. BTW (inzake [geïntimeerde] /algemeen), een bedrag van € 5.371,53 incl. BTW (inzake [geïntimeerde] /Franchise c.a.) en een bedrag van € 24.914,-- incl. BTW (inzake [geïntimeerde] /dossier gemeente) in rekening is gebracht. Hierbij is uitgegaan van een uurtarief van € 150,--.
- t. [geïntimeerde] heeft deze facturen tot op heden niet voldaan
- een hoofdsom van € 31.902,71, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de factuurbedragen vanaf de vervaldata van de facturen;
- € 1.000,96 ter zake buitengerechtelijke kosten;
- de factuur van 1 november 2014 inzake [geïntimeerde] / [naam 5] ten bedrage van € 11.189,11 inclusief btw;
- de drie facturen van 5 juni 2015 ad in totaal € 32.963,60 inclusief btw.
- Tot de definitie van opdracht, zoals weergegeven in artikel 7:400 BW Pro, behoort niet dat voor de werkzaamheden een tegenprestatie wordt verricht. Ook een vriendendienst kan daarom als een overeenkomst van opdracht (om niet) worden beschouwd (rov. 3.7).
- Vast staat dat tussen [geïntimeerde] en [bestuurder van appellante] (hof: bedoeld is kennelijk [appellante] ) een of meer overeenkomsten van opdracht tot stand zijn gekomen (rov. 3.8).
- [geïntimeerde] moet zich op zeker moment hebben gerealiseerd dat [appellante] werkte in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en dat zij aan [appellante] overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:405 lid 1 BW Pro loon verschuldigd was (rov. 3.9).
- In de brief van 17 oktober 2012 is weliswaar melding gemaakt van het door [appellante] gestelde uurtarief van € 150,00 exclusief btw en exclusief 6% kantoorkosten, maar niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] die brief heeft ontvangen. Daarom dient [appellante] te bewijzen dat tussen partijen is overeengekomen dat de werkzaamheden van [bestuurder van appellante] zoals [appellante] deze heeft gefactureerd, vergoed zouden worden en wel tegen een uurtarief van € 150,00 exclusief btw te verhogen met 6% kantoorkosten (rov. 3.10).
- Indien de rechtbank te zijner tijd oordeelt dat [appellante] in de bewijslevering geslaagd is, is het aan [appellante] om bij conclusie na tussenvonnis alle door [geïntimeerde] onder punt 10 van de conclusie van antwoord betwiste (advies)werkzaamheden (per dossier) nader te specificeren en (mede middels overlegging van correspondentie en urenspecificaties) te onderbouwen (rov. 3.11).
- Indien en voor zover [appellante] niet slaagt in de bewijslevering, is betaling van (een gedeelte van) de werkzaamheden tegen een gebruikelijk of redelijk loon verschuldigd. Dit betreft dan de juridische werkzaamheden die [bestuurder van appellante] voor [geïntimeerde] heeft verricht omdat dat werkzaamheden zijn die in de uitoefening van een beroep of bedrijf zijn verricht (rov. 3.12). Het ligt dan op de weg van [appellante] om de betreffende juridische werkzaamheden van [bestuurder van appellante] bij conclusie na tussenvonnis nader te specificeren en (middels overlegging van correspondentie en urenspecificaties) nader te onderbouwen. Partijen kunnen zich dan gemotiveerd uitlaten over de vraag of sprake is van een op gebruikelijke wijze berekend loon en welk loon dit betreft en over de hoogte van een redelijk loon (rov. 3.13).
- [appellante] is er niet in geslaagd om te bewijzen dat tussen partijen is overeengekomen dat de werkzaamheden van [bestuurder van appellante] zoals [appellante] deze heeft gefactureerd vergoed zouden worden en wel tegen een uurtarief van € 150,-- excl. btw te verhogen met 6% (rov. 2.2 en 2.3).
- Zoals overwogen in rov. 3.12 van het tussenvonnis brengt dat mee dat een gebruikelijk of redelijk loon verschuldigd is voor de juridische werkzaamheden die [bestuurder van appellante] voor [geïntimeerde] heeft verricht (rov. 2.4).
- Uitgegaan moet worden van 26,67 uur aan werkzaamheden van de zijde van [appellante] ten aanzien van “Dossier I: [naam 5] ”. Voor deze werkzaamheden is het hanteren van een uurtarief van € 75,-- exclusief btw redelijk. Dit voert tot een honorarium van € 2.000,25, te vermeerderen met 21% btw en te vermeerderen met de factuur van Van der Tak (hof: de in rov. 6.1 sub m van dit arrest genoemde factuur ad € 671,79). Dit voert tot een totaalbedrag van € 3.092,10. Daarop strekt nog € 582,31 (385 minuten) in mindering omdat om de in rov. 2.10 te noemen redenen pas vanaf 5 september 2012 honorarium verschuldigd is (rov. 2.7 tot en met 2.9).
- [geïntimeerde] mocht vóór 5 september 2012 nog verwachten dat sprake was van vrijblijvende hulp. [geïntimeerde] moest vanaf 5 september 2012 rekening houden met de omstandigheid dat [appellante] voor de aanvankelijk vrijblijvende activiteiten betaald wenste te worden (rov. 2.10, eerste deel).
- De werkzaamheden die [appellante] heeft verricht ten aanzien van “Dossier II: gemeente [gemeente] ” zijn werkzaamheden passend voor een juridisch adviseur. Ter zake tijd besteed aan in- en uitgaande correspondentie is over de periode vanaf 5 september 2012 19,58 uur verantwoord. De omvang van tijd besteed aan vergaderingen en telefoongesprekken moet bij gebreke van een deugdelijke specificatie geschat worden op 10 uur. In totaal is [geïntimeerde] ter zake dit dossier dus (29,58 uur maal € 75,-- =) € 2.218,50 exclusief btw, derhalve € 2.684,39 inclusief btw verschuldigd (rov. 2.10 tweede deel en rov. 2.11).
- De werkzaamheden die [appellante] ter zake correspondentie heeft verricht ten aanzien van “Dossier III: [naam 7] ” zijn te beschouwen als juridische werkzaamheden. Over de periode vanaf 5 september 2012 betreft dit 7,16 uur. Een behoorlijke verdere onderbouwing van de werkzaamheden ontbreekt. De rechtbank gaat nog uit van 1 uur besteed aan overleg, zodat in totaal 8,16 uur voor vergoeding in aanmerking komt. Op grond van het uurtarief van € 75,-- leidt dit tot een door [geïntimeerde] aan [appellante] verschuldigd bedrag van € 612,-- exclusief btw, derhalve € 740,52 inclusief btw (rov. 2.12).
- De werkzaamheden die [appellante] heeft verricht ten aanzien van “Dossier IV: [betrokkene] / curator” zijn werkzaamheden van juridische aard. Ter zake dit dossier komt 9,5 uur voor vergoeding in aanmerking. Op grond van het uurtarief van € 75,-- leidt dit tot een door [geïntimeerde] aan [appellante] verschuldigd bedrag van € 712,50 exclusief btw, derhalve € 862,13 inclusief btw (rov. 2.13).
- De werkzaamheden die [appellante] heeft verricht ten aanzien van “Dossier V: [naam 8] ” zijn werkzaamheden van juridische aard. Ter zake dit dossier komt 21,92 uur voor vergoeding in aanmerking. Op grond van het uurtarief van € 75,-- leidt dit tot een door [geïntimeerde] aan [appellante] verschuldigd bedrag van € 1.644,-- exclusief btw, derhalve € 1.989,24 inclusief btw (rov. 2.14).
- Bij optelling van de bedragen die [geïntimeerde] op grond van het voorgaande aan [appellante] verschuldigd is, blijkt dat het verschuldigde bedrag het betaalde voorschot niet overtreft. De vordering van [appellante] moet daarom worden afgewezen (rov. 2.15, eerste deel en rov. 2.16).
- de gevorderde factuurbedragen tot een bedrag van € 19.807,71, vermeerderd met de wettelijke handelsrente
- € 1.789,-- ter zake te weinig in rekening gebracht griffierecht, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 21 november 2017;
- € 973,08 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding;
- door [appellante] aan mr. Van der Tak voldane griffierechten ad € 1.789,--;
- een voorschot op honorarium ten bedrage van € 10.000,-- te vermeerderen met 19% btw.
- A. de factuur van [appellante] van 27 december 2012 met de aanduiding “ [betrokkene] c.s. / [naam 14] ”; bij deze factuur is in totaal 7 uur aan werkzaamheden in rekening gebracht tegen een uurtarief van € 150,--, vermeerderd met 21% btw (en vermeerderd met een bedrag van € 95,00 ter zake “Belaste verschotten, kantoorkosten c.a.”);
- B. de factuur van [appellante] van 1 november 2013 waarbij 10 uur aan werkzaamheden in rekening is gebracht tegen een uurtarief van € 150,-- vermeerderd met 21% btw (en vermeerderd met een bedrag van € 100,-- ter zake “kantoorkosten, reiskosten”);
- C. de factuur van [appellante] van 20 augustus 2014 met de aanduiding “ [naam 10] / [geïntimeerde] ” waarbij in totaal 11,8 uur aan werkzaamheden in rekening is gebracht tegen een uurtarief van € 150,-- vermeerderd met 21% btw (en vermeerderd met een bedrag van € 106,20 als “belaste verschotten 6%”, over welk bedrag ook 21% btw is gerekend).
- t.a.v. dossier I: € 2.509,79 inclusief btw (€ 3.092,10 min € 582,31)
- t.a.v. dossier II: € 2.684,39 inclusief btw
- t.a.v. dossier III: € 740,52 inclusief btw
- t.a.v. dossier IV: € 862,13 inclusief btw
- t.a.v. dossier V: € 1.989,24 inclusief btw
- 1) [appellante] is er in het geding bij de rechtbank vanuit gegaan dat [geïntimeerde] één keer een voorschot van € 12.100,-- inclusief btw in mindering op het verschuldigde honorarium heeft betaald. In hoger beroep heeft [appellante] rekening gehouden met het feit dat (tenminste) twee keer een voorschot van € 12.100,-- inclusief btw in mindering op het verschuldigde honorarium is betaald. [appellante] heeft in verband daarmee de door haar gevorderde hoofdsom verminderd met € 12.100,-- inclusief btw.
- 2) Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] het griffierecht ten bedrage van € 1.789,-- dat was vervat in de voorschotfactuur van 19 september 2012, ten onrechte niet betaald en heeft [appellante] dat bedrag in het geding bij de rechtbank abusievelijk niet gevorderd. In verband daarmee heeft [appellante] de door haar gevorderde hoofdsom vermeerderd met € 1.789,--.