De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die het gezag van de vader over de minderjarige beëindigde en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemde. De stiefvader en de vader zijn in hoger beroep gekomen met tegenstrijdige verzoeken: de stiefvader wil benoemd worden tot voogd, terwijl de vader het gezag wil behouden.
De minderjarige woont sinds 2014 bij de moeder en stiefvader, maar na het overlijden van de moeder in 2017 verblijft zij bij de stiefvader. De rechtbank had het verzoek van de stiefvader afgewezen vanwege het spanningsveld tussen hem en de vader en benoemde de GI tot voogd. De stiefvader betoogt dat hij beter in staat is de minderjarige te verzorgen en opvoeden, mede omdat de vader het contact niet accepteert. De vader benadrukt het belang van terughoudendheid bij gezagsbeëindiging en stelt dat de juridische band met de laatste ouder niet verbroken moet worden.
Het hof overweegt dat de minderjarige een belaste voorgeschiedenis heeft en kwetsbaar is. De vader is onvoldoende in staat aan haar behoeften te voldoen. De stiefvader biedt stabiliteit en sluit aan bij haar behoeften, maar het spanningsveld tussen vader en stiefvader overstijgt zijn macht. De GI is noodzakelijk voor begeleiding en het bevorderen van contact met de vader en andere familieleden. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst de verzoeken van stiefvader en vader af.
De proceskosten worden gecompenseerd zodat ieder zijn eigen kosten draagt. Het hof verzoekt tevens om toezending van de uitspraak aan het centraal gezagsregister.