Uit het deskundigenbericht komt - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende naar voren.
Een verhuizing van [minderjarige 2] naar een pleeggezin in Polen is niet in zijn belang.
De GGZ-hoofdbehandelaar wijst erop dat er bij [minderjarige 2] niet alleen sprake is van een stoornis in het autistische spectrum maar ook een licht verstandelijke beperking en een reactieve hechtingsstoornis op de kinderleeftijd, hetgeen hem extra kwetsbaar maakt.
De problematiek van [minderjarige 2] vereist een pleeggezin dat sensitief op zijn behoeften kan inspelen, met aanpassingsvermogen en kennis van zaken. Er moet een vaste structuur zijn met weinig prikkels, veel overzichtelijkheid en eenduidigheid en actuele kennis van hechtingsproblematiek, autisme en decompensatiegedrag op het niveau van licht verstandelijke beperking. Het pleeggezin moet weten hoe die problematiek te hanteren. Er moet speciaal onderwijs beschikbaar zijn in de buurt met één op één begeleiding en hulpverlening die het gezin en school kan ondersteunen en behandeling kan bieden gericht op hechting. Ten aanzien van de taal moeten pleegouders, maar ook de behandelaars, basale kennis hebben van het Nederlands zodat zij de taalbarrière, die zich zal voordoen, kunnen opvangen voor [minderjarige 2] en hem daarin kunnen begeleiden.
Volgens de GGZ-hoofdbehandelaar van [minderjarige 2] staat zijn problematiek een verhuizing naar Polen in de weg: op grond van de kindfactoren is een nieuwe verandering van pleeggezin overweldigend en schadelijk omdat er een nieuwe breuk komt en [minderjarige 2] op een breuk reageert met een terugval. Het is onbekend in hoeverre het contact met [minderjarige 1] voor hem behulpzaam kan zijn bij een verhuizing naar Polen, want zij hebben zeer weinig contact gehad (twee keer in drie jaar) en in dat contact heeft [minderjarige 1] geen afgestemd gedrag (kunnen) laten zien naar [minderjarige 2] toe.
De hechtingsrelatie tussen de pleegouders en [minderjarige 2] komt op gang. Het pleeggezin staat daarvoor open en is bereid [minderjarige 2] te blijven begeleiden, zo lang dat nodig is. Zij hebben hem opgenomen in hun sociale kring en zij zijn goed afgestemd op de eisen, die [minderjarige 2] stelt aan zijn omgeving. Zij werken goed samen met de hulpverlening en zijn zich bewust van de (on)mogelijkheden die hen met [minderjarige 2] in de toekomst te wachten staan.
Het is te verwachten dat een plaatsing in een volgend pleeggezin schade zal geven in de vorm van een terugval in gedesorganiseerd gedrag, zoals [minderjarige 2] dat eerder heeft laten zien en nog in kleine vorm laat zien als hij een korte scheiding meemaakt in de vorm van logeren.
De overgang naar Polen zal op dit moment de grootst mogelijke overgang zijn voor hem, onder meer een breuk met de vertrouwd geworden relaties. Dit doet oude trauma’s reactiveren met terugval in oud, traumatisch gekleurd gedrag, wat voorheen ook tot fysiek zelfbeschadigend gedrag heeft geleid. Dit gedrag is bijzonder moeilijk te hanteren, zeker in een gezinssituatie met andere kinderen, die niet dezelfde taal spreken als [minderjarige 2] .
[minderjarige 2] ’s behandelaars kunnen geen enkele mogelijkheid noemen om de in de huidige situatie te verwachten schade te beperken. Hiervoor lijkt nodig dat de hechtingstherapie die [minderjarige 2] volgt op goede wijze is afgerond. Wanneer dit zal zijn is niet te voorspellen.