Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
- [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Het geschil betreft de uithuisplaatsing van een minderjarige, [minderjarige 2], bij haar vader, waarbij het hof de eerdere beschikking van de rechtbank bekrachtigt. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen deze beslissing en voert aan dat onvoldoende is onderzocht of de vader aan de voorwaarden voldoet en dat de band met de grootouders en de andere minderjarige, [minderjarige 1], onvoldoende is meegewogen.
De gecertificeerde instelling (GI) en de vader stellen dat de vader inmiddels over voldoende opvoedkundige kwaliteiten beschikt en dat de minderjarige zich sinds de plaatsing positief ontwikkelt. Het hof stelt vast dat de vader aan de voorwaarden heeft voldaan en dat het belang van de minderjarige bij de vader opgroeien zwaarder weegt dan het verblijf bij de grootouders, ondanks de goede zorgen daar.
Het hof weegt mee dat de moeder negatief aanwezig is in het gezin van de grootouders en dat dit de ontwikkeling van de minderjarige belemmert. Er is sprake van een positieve ontwikkeling sinds de plaatsing bij de vader, met goede contacten tussen vader, grootouders en de andere minderjarige. De GI en vader trachten de moeder bij beslissingen te betrekken, maar de moeder werkt niet mee, wat het contact bemoeilijkt.
Gelet op het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige acht het hof de uithuisplaatsing bij de vader noodzakelijk en bevestigt de beschikking van de rechtbank. De moeder wordt in haar verzoek tot vernietiging afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij haar vader.